Bronnen en verhalen waar katholieken uit putten

Nieuwe testament

Wordingsgeschiedenis en canonisatie

Getuigenis en overlevering gebeurden in de vroegste periode mondeling. Aangezien er veel ooggetuigen waren die Jezus of zijn discipelen zelf hadden meegemaakt, was het niet nodig getuigenissen op schrift te stellen. Maar met de groei aan volgelingen, ontstond de behoefte aan duidelijke richtlijnen voor het dagelijks leven. Daarom werden ‘uitspraken van de Heer’ (‘logia’) evenals wonderverhalen, parabels en genezingsverhalen verzameld en opgeschreven. Zij vormden de basis voor uitgebreidere gezagvolle teksten zoals de evangeliën. Zo circuleerden in de snel groeiende jonge gemeenten allerlei maatgevende documenten (veelal evangeliën en brieven) die de bekeerlingen hielpen richting te geven aan hun geloof.

De eerste eeuwen maakte het christendom een opmerkelijke ontwikkeling door. Christenvervolgingen maakten geleidelijk plaats voor acceptatie. Onder de Romeinse keizer Theodosius I (346 – 395) werd het christendom zelfs verheven tot staatsgodsdienst. Ook vonden er belangrijke concilies (=kerkvergaderingen) plaats die de eenheid en overeenstemming stimuleerden. In deze lijn past ook de beweging naar een eenduidige bundeling van boeken die als geïnspireerd en maatgevend werden gezien. Het was Athanasius, bisschop van Alexandrië, die in zijn paasbrief uit 367 voor het eerst de geschriften opsomt die wij tot het Nieuwe Testament rekenen. Niet veel later werd deze lijst bekrachtigd tijdens de synode van Hippo Regius (393) en Carthago (397).

Ga terug naar Nieuwe testament