Katholieken en hun geschiedenis / traditie

Hervormingen

Luther

Maarten Luther werd geboren in het Duitse Eisleben op 10 november 1483. Nadat hij studeerde en werkte aan de universiteit van Erfurt, trad hij in 1505 toe tot het strenge augustijner klooster in Erfurt. In 1507 werd hij tot priester gewijd. Met succes studeerde hij theologie. In 1512 promoveerde hij en werd hoogleraar Bijbelse theologie in Wittenberg.

Bekering

In deze tijd leerde hij uit de psalmen en de brieven van Paulus (m.n. Rom. 1:17) dat een gelovige alleen door het geloof en uit genade kan leven. Gaandeweg kwam hij in het geweer tegen de misstanden in de katholieke kerk.
Op 31 oktober 1517 daagde Luther de kerk uit tot een dispuut naar aanleiding van de door hem opgestelde 95 stellingen. Dat dispuut kwam er. Naast de aflaathandel ging het over de positie van de pausde autoriteit van de Bijbel en de hiërarchie. Luthers tegenspelers waren paus Leo X, curiekardinaal Cajetanus en Johannes Eck, hoogleraar te Inglostad.

Luthers theologie is samen te vatten in de drie ‘sola’-uitspraken:

Sola Scripura: alleen de Bijbel is bepalend voor het geloof van mensen. Sola Fide: alleen door het geloof kun je behouden worden. Sola Gratia: alleen Gods genade zorgt er voor dat een mens met Hem verzoend kan worden.

In 1521 moest Luther verschijnen voor de rijksdag van Worms en werd hij gesommeerd zijn geschriften te herroepen. Dat weigerde hij. Luther dook onder op de Wartburg. Daar werd hij beschermd door keurvorst Frederik de Wijze. Op de Wartburg maakte hij een begin met de vertaling van de Bijbel in de volkstaal. Later kon hij als hoogleraar terugkeren in Wittenberg.

Ga terug naar Hervormingen