Katholieken en hun vieringen (feesten)

Liturgie

Liturgische kleding

De priester draagt onder zijn liturgische kleding een albe: een wit onderkleed. ‘Albe’ betekent wit en deze kleur symboliseert zuiverheid. Daaromheen draagt de priester een op speciale wijze geknoopt touw (singel) en daaroverheen een stola in de liturgische kleur van de periode van het jaar:

Groen voor de ‘tijden door het jaar, de perioden buiten de hoogtijdagen.

Paars voor de perioden van voorbereiding, van inkeer en gebed: Advent en Veertigdagentijd.

Wit voor de hoogtijdagen en de perioden erna: Kerstmis, Paastijd en Allerheiligen.

Rood voor Pinksteren en gedenkdagen van martelaren.

Vervolgens draagt de priester daaroverheen een kazuifel (letterlijk: huisje).

Misdienaars en acolieten

Misdienaars en acolieten (oudere misdienaars) dragen dikwijls een witte superplie. Korter gesneden dan de albe. Zij dragen dit over een zwarte of (op feestdagen) rode toog.

Andere kledij

Tegenwoordig wordt ook meer neutrale kledij gedragen: een neutrale gebedsmantel met een stola in de kleur van het liturgisch jaar er overheen. De priester heeft een stola met twee banen. De diaken een diagonale stola. De pastoraal werker heeft geen officiële liturgische kledij, maar is herkenbaar aan een V-vormig insigne, een baan vanaf de schouder of een los omgeslagen sjaal in de liturgische kleur.

Ga terug naar Liturgie