Bronnen en verhalen waar katholieken uit putten

Oude testament

Koningen

In het Oude Testament speelt het koningschap vooral in de boeken Samuel en Koningen een belangrijke rol. Deze bijbelboeken beschrijven de overgang van de periode waarin rechters als leiders van de Israëlieten optreden, naar een nieuwe tijd waarin koningen het volk regeren. Het koningschap van het volk Israël verschilt radicaal van de manier waarop andere koningen in het oude Nabije Oosten hun taak zagen. Zij konden als absoluut monarch regeren en rechtspreken zoals ze wilden. De koning van Israël daarentegen moest zich houden aan de juridische en morele voorschriften van God, zoals de profeten die uitdroegen.

Samuel

Samuel is de profeet die een beslissende rol speelt in de beginjaren van het koningschap. Hij wijst eerst Saul en later David aan als koning over Israël. Samuel herinnert het volk én de koning eraan dat zij ondergeschikt zijn aan de goddelijke wetten: uiteindelijk blijft God de echte koning van zijn volk. Want ook al komt de militaire en bestuurlijke leiding in handen van een koning, het is God die de loop van de geschiedenis bepaalt.

Salomo

Salomo was de opvolger van koning Saul en koning David. Deze zoon van David en Batseba was volgens de verhalen veertig jaar koning van Israël, en zijn rijkdom was al even legendarisch als zijn wijsheid. Salomo bracht zijn rijk welvaart en vrede, en hij is welhaast onsterfelijk geworden als bouwer van de tempel en als dichter. Volgens de traditie schreef hij de boeken Hooglied, Spreuken en Prediker. Daarnaast zou hij een van de tien auteurs van het boek Psalmen zijn geweest. Na de dood van Salomo valt het ongedeelde koninkrijk uiteen in het noordelijke rijk Israël en het zuidelijke rijk Juda.

Ga terug naar Oude testament