Katholieken en hun geloofsgemeenschap

Doop

Kinderdoop en volwassenendoop

Baby’s treden toe tot de familie waarin ze ter wereld komen. De ouders geven hem of haar een voor- en achternaam. Deze kiest de baby niet, maar hij of zij treedt wel met een naam toe tot een familie. Een baby wordt bij de geboorte ook lid van een gemeenschap van burgers, bijvoorbeeld de Nederlandse samenleving.

Bij de doop gebeurt iets vergelijkbaars. De ouders laten de baby, het kleine kindje, door de doop toe tot de spirituele familie. De dopeling wordt lid van de familie van God, de kerk. De ouders laten hun baby voor zijn of haar bestwil dopen, hij of zij heeft uiteraard geen goedkeuring gegeven. Eenmaal volwassen kan de dopeling bewust voor het katholieke geloof kiezen of dat de rug toekeren.

In het verleden was het belangrijk dat een baby zo snel mogelijk gedoopt werd. Een doop kort na de geboorte was een garantie ervoor dat de ziel in ieder geval gered was, mocht het kind snel sterven. Tegenwoordig is de normale tijd zo’n drie maanden na de geboorte.

Volwassenen kunnen zich ook laten dopen. De kerk adviseert deze mensen met nadruk zich samen met anderen te laten dopen op de avond van Paaszaterdag, tijdens de paaswake. Bij een volwassenendoop zijn ouders qua geloof geen betrokkenen. Een peetouder is evenwel nog altijd noodzakelijk. De volwassenendoop verschilt nauwelijks van de kinderdoop, maar de volwassene beantwoordt bijvoorbeeld zelf de vragen. De priester (diaken) vraagt: ‘Zweert u de duivel af? En al zijn werken? En al zijn loze beloften?’ Als het goed is, antwoordt iedereen steeds bevestigend.

Ga terug naar Doop