Katholieken en de samenleving

Katholieke Sociale Leer

Kernbeginselen van de katholiek sociale leer: subsidiariteit

Subsidiariteit is een beginsel dat de juiste maatschappelijke verhoudingen waarborgt. Centraal staat het evenwicht tussen initiatief en verantwoordelijkheid van het individu, de groep en de staat. Bij het subsidiariteitsbeginsel wordt verantwoordelijkheid zo laag mogelijk gelegd. Wat personen bijvoorbeeld zelf kunnen doen, moet hen niet door maatschappelijke instanties uit handen worden genomen. Persoonlijke talenten komen door deze benadering het best tot ontplooiing, omdat mensen worden uitgedaagd zelf mee te bouwen aan de samenleving.

Het hogere en het lagere ondersteunen elkaar binnen het subsidiariteitsbeginsel op dynamische wijze over en weer. Het lagere heeft iets wezenlijks in te brengen dat niet eigenhandig door het hogere ingevuld kan worden. Andersom schept het hogere de contouren waarbinnen het concrete vorm krijgt. Door uit te gaan van de unieke mogelijkheden die iedere maatschappelijke positie met zich meebrengt, komen capaciteiten en talenten het best tot hun recht. De goede gemeenschap doet zo bezien geen afbreuk aan de unieke positie van de personen en groepen die deze bredere gemeenschap vormen, integendeel. Bij uitstek past dit ordeningsbeginsel bij het beginsel van bonum commune, omdat zowel de bloei van de gemeenschap als alle onderdelen waaruit zij is opgebouwd, worden gewaarborgd door gezonde verhoudingen.

Dit principe leidt uiteindelijk ook tot het zogenoemde ‘maatschappelijk middenveld’, oftewel de ‘civil society’, waar burgers zelf organisaties kunnen oprichten en leiden die henzelf en het bonum commune ten goede komen. Dit voorkomt een te grote staatsbemoeienis, is goedkoper, en doet een beroep op het verantwoordelijkheidsgevoel van mensen.

Ga terug naar Katholieke Sociale Leer