Katholieken en de samenleving

Katholieke Sociale Leer

Kernbeginselen van de katholiek sociale leer: Bonum commune

Het bonum commune principe omvat de voorwaarden die nodig zijn om persoon en gemeenschap te laten floreren en het algemeen welzijn te versterken. Deze voorwaarden zijn verschillend van aard: enerzijds zijn er praktische voorwaarden als voedsel, kleding, werk en bijvoorbeeld onderwijs. Anderzijds wordt de bloei gewaarborgd door belangrijke immateriële rechten en plichten zoals gewetensvrijheid, godsdienstvrijheid en bijvoorbeeld het recht op organisatie. De rondzendbrief Pacem in terris van Johannes XXIII (1958-1963) geeft een helder overzicht van de rechten en plichten die ons algemeen welzijn waarborgen. Deze paus vatte het bonum commune als volgt samen: ‘het complex van maatschappelijke factoren, die de mensen in staat stellen hun persoonlijke vervolmaking vollediger en gemakkelijker te verwezenlijken’ (Mater et Magistra 1961).

Met het inzicht dat goed samenleven niemand uitsluit, opent de katholiek sociale leer een radicaal perspectief. Ze laat ons zien dat een samenleving waarin voor bepaalde mensen geen plaats is onvolmaakt en incompleet is. Een maatschappij die mensen uitsluit spreekt het evangelie tegen. Jezus bevond zich immers bij voorkeur onder de maatschappelijk uitgeslotenen en de onzichtbaren. Dáár begon hij immers zijn verkondiging over het koninkrijk van God.

Ga terug naar Katholieke Sociale Leer