Katholieken en hun geschiedenis / traditie

Oosterse Kerken

Kerkvaders

Russisch-orthodox icoon van de kerkvader Basilius de Grote (Foto uit: Wikimedia Commons)

De oosterse kerken zijn christelijke geloofsgemeenschappen die allemaal hun beslissende gestalte hebben gekregen in de oudkerkelijke periode van het christendom. Die reikt pakweg tot de tijd dat de islam zich verbreidde (7e-8e eeuw). Alle oosterse kerken, van welke theologische richting ze ook zijn, wortelen in deze lange aanloopperiode van het christendom. Deze periode is verbonden met wat wij doorgaans het ‘patristische’ tijdvak noemen, dit is de tijd van de kerkvaders.
Klinkende namen van oosterse kerkvaders zijn Johannes Chrysostomus en Basilius de Grote, minder bekende zijn Efrem de Syriër of Afrahat de Perzische Wijze.

Ze zijn kerkvaders, omdat ze worden gezien als de ouders en opvoeders in het geloof. Volgens de westerse indeling houden de kerkvaders op tegen 800. De orthodoxe kerken hanteren doorgaans een iets andere definitie. Iedere vader (of moeder) in het orthodoxe geloof – een geestelijke autoriteit – is een ‘kerkvader’. De benaming is op die manier niet gebonden aan een tijdperk. Zowel een belangrijke figuur van rond 100 n. Chr. als een grote heilige uit 1900 kan kerkvader zijn. Toch blijft staan dat in oosterse kerken aan theologen en heiligen van de eerste eeuwen groot gezag wordt toegekend. Wil je in later tijd ‘kerkvader’ genoemd worden, dan moet je in hun geest en lijn hebben geleefd, geloofd en gedacht. Samen met de bijbel, de concilies (zie: Oosterse schisma’s en geloofsdoctrines) en de liturgie (zie: Gebed en liturgie) vormen de kerkvaders de Traditie van de zelfstandige oosterse kerken.

Ga terug naar Oosterse Kerken