Katholieken en hun geloofsgemeenschap

Doop

Doopwater, chrisma, doopkaars en zout

Dopen gebeurt met water, het water in de doopvont. Water heeft hierbij twee betekenissen. Het is het water dat bedreigt en waar je doorheen moet, zoals het volk van Israël door de Rode Zee moest gaan. En het is het leven schenkende water van Christus. Het water dat de erfzonde afwast. De priester of diaken zegent het doopwater door een gebed. Het kind wordt voor de feitelijke doop boven de doopvont gehouden. Er wordt drie keer een beetje water over het hoofd van de dopeling gegoten. De priester of diaken zegt daarbij: ‘Ik doop u in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest’. Verder wordt het voorhoofd van de dopeling gezalfd met heilig chrisma, olie met balsem die heerlijk ruikt. De zalving symboliseert dat de dopeling daadwerkelijk christen is. ‘Christus’ betekent ‘gezalfde’, een christen is iemand die in Jezus Christus is gezalfd. Na deze zalving wordt een wit kleedje over de dopeling gelegd, wat de pure staat van het kind tot uitdrukking brengt. Aan de paaskaars wordt vervolgens een doopkaars ontstoken. Deze symboliseert dat de dopeling een licht voor de wereld is. Vroeger kreeg de dopeling een beetje zout op de tong. Dit herinnert aan Jezus’ oproep aan degenen die hem volgen om het zout van de aarde te zijn (Mat. 5,13). Zout staat voor smaak geven en pit hebben.

foto: Christian van de Heijden

Ga terug naar Doop