Bronnen en verhalen waar katholieken uit putten

Oude testament

De Deuterocanonieke boeken

Een tweede canon

Omstreeks 100 n.Chr. werd binnen het jodendom de verzameling heilige boeken (Tanach) definitief vastgesteld. Een groot aantal geschriften werd niet toegelaten tot de canon van de Hebreeuwse bijbel. Ondertussen circuleerden er wel Griekse vertalingen van deze teksten, waaronder de boeken Tobit, Judit, 1 en 2 Makkabeeën, Wijsheid van Salomo, Wijsheid van Jezus Sirach en Baruch. Deze zeven geschriften maakten deel uit van de Septuaginta, de Griekse vertaling van de Hebreeuwse bijbel, en functioneerden als een soort ‘tweede canon’.

Hiëronymus

Toen Hiëronymus omstreeks 400 na Chr. de opdracht kreeg om voor de westerse kerk een nieuwe Latijnse bijbelvertaling te maken, vertaalde hij alleen de boeken die tot de Hebreeuwse bijbel behoorden. De tekst van de zeven ‘extra’ boeken nam hij grotendeels over uit de Vetus Latina, een oude Latijnse vertaling vanuit de Septuaginta. Sinds Hiëronymus maken die extra boeken deel uit van de in de westerse kerk gangbare bijbelvertaling, die later de Vulgata genoemd werd. De katholieke Kerk beschouwt al deze boeken als door God geïnspireerd, en dus met gelijk gezag.

Reformatie

In de zestiende eeuw, tijdens de Reformatie, beperkten de reformatoren zich voor hun vertalingen van het Oude Testament, uitsluitend tot de boeken van de Hebreeuwse bijbel (‘de eerste canon’). In de katholieke traditie daarentegen bleef men ook de zeven ‘extra’ boeken uit de Septuaginta gebruiken. De katholieke kerk, net als de oosterse kerken, noemt het geheel van deze extra’s ‘deuterocanoniek’: het behoort tot ‘de tweede canon’, erkend als door God geïnspireerd. In verreweg de meeste kerken van de Reformatie worden ze ‘apocriefe boeken’ genoemd: ze bevatten een wijsheid die niet het gezag van het geïnspireerde Woord van God heeft.

Ga terug naar Oude testament