Katholieken en hun geschiedenis / traditie

Monniken

De ontwikkeling van het kloosterleven door de eeuwen heen

Het grootste deel van de monniken en monialen die volgens de regel van Benedictus leefden zijn altijd op het platteland blijven wonen. In mindere mate gold dit voor de zogenaamde ‘half contemplatieven’ zoals de kloosterlingen die volgens de regel van Augustinus of Norbertus leefden. Zij combineerden een contemplatief leven met activiteiten in onderwijs, pastoraat en ziekenzorg. Toen in de latere middeleeuwen de steden opkwamen, ontstonden daar de bedelorden, zoals Franciscanen (Franciscus) en Dominicanen (Dominicus). Vooral de mannelijke takken van deze bedelorden richtten zich op pastoraat en armenzorg al bleven ze daarnaast de getijden bidden. De vrouwelijke leden zijn wel vaak contemplatief. De naam bedelorde duidt aan dat de armoedebeleving erg belangrijk was; al bedelend trokken de leden langs de deuren voor voedsel. In de steden hadden zij immers geen landerijen om hun voedsel te verbouwen. Door de hele kerkgeschiedenis heen zijn er steeds nieuwe kloosterlijke groeperingen ontstaan. In het venster ‘katholiek onderwijs’ worden ordes (congregaties) besproken die veel voor het onderwijs betekend hebben. Een congregatie is een groep actieve religieuzen die eveneens de gelofte van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid houdt en die gespecialiseerd is in taken op het terrein van onderwijs, zieken- of armenzorg. In de 18e en 19e eeuw zijn er honderden verschillende congregaties ontstaan die op eigen wijze antwoord probeerden te geven op de noden van hun tijd. Zo werd het aantal actieve religieuzen veel groter dan het aantal contemplatieven. Alleen de geheel of gedeeltelijk contemplatief gerichte kloosterlingen noemen we monnik of moniaal; alle anderen worden kloosterlingen (religieuzen) genoemd en aangesproken met: pater, broeder, frater of zuster.

Ga terug naar Monniken