Katholieken en hun vieringen (feesten)

Liturgie

De cyclus van Pasen (kerkelijk jaar)

De cyclus van Pasen begint na het Carnaval (‘carne-vale’: vlees-vaarwel) met een veertig dagen durende vastentijd, voorafgaand aan Pasen. Gelovigen onthouden zich van het overbodige; men organiseert vastenacties voor goede doelen. Op Aswoensdag haalt men een askruisje.

Hoogtepunt van de vastentijd is de goede week: van Palmzondag (kleur: rood) tot Pasen. Op Palmpasen staat de intocht van Jezus in Jeruzalem centraal. Kinderen maken Palmpaasstokken: een klein houten kruis met broodhaantje en lekkers.

Witte Donderdag (wit)

staat in het teken van het Laatste Avondmaal, waar Jezus de voeten van de leerlingen waste en de eucharistie heeft ingesteld met de woorden over het brood en de wijn. De priesters wassen de voeten van gelovigen en vieren deze dag als de dag waarop hun ambt is ingesteld.

Goede Vrijdag (paars)

kent een stille kerk zonder eucharistieviering. ’s Middags loopt men de kruisweg langs de veertien statiën; ’s avonds leest men het lijdensevangelie gevolgd door de kruisverering.

Op Stille Zaterdag (paars/ wit)

duurt de stilte voort: Jezus in het graf; zijn volgelingen wachten om zijn lichaam te verzorgen. Aan het einde van Stille Zaterdag volgt de paasnacht met de paaswake: Jezus’ verrijzenis. De paaskaars wordt binnengebracht en iedereen ontsteekt zijn kaars aan deze kaars.

Pasen (van paars naar wit)

In de lezingen gaat de kerk met de vrouwen mee naar het lege graf. Ze zien Jezus verschijnen.

Ook alle zondagen tussen Pasen en Hemelvaart worden zondagen van Pasen genoemd. In elk van die zondagen wordt een deel van het mysterie van Pasen belicht en gevierd.

Ga terug naar Liturgie