Katholieken en hun geschiedenis / traditie

Kerkvaders

Pater familias


Om de vaders van de kerk goed te kunnen plaatsen moeten we het gebruik van het begrip ‘vader’ in het Romeinse Rijk eerst verstaan. Het begrip ‘vader’ had in het Romeinse Rijk grote betekenis, niet alleen op familiair gebied, maar zelfs op het terrein van de wetgeving en rechtspraak. De pater familias droeg grote verantwoordelijkheid, niet alleen voor zijn directe familie maar ook voor de slaven die onder zijn hoede waren gesteld. Zijn leiding was autoritair. De vader werd geacht goed zorg te dragen voor zijn familie en de slaven, maar ook zo nodig disciplinair op te treden. Wanneer een van hen een overtreding beging, werd de vader zelfs geacht recht te spreken. De Romeinse pater familias was tevens verantwoordelijk voor de religie van zijn domus, zijn ‘huis’, zijn uitgebreide familie. Dit begrip pater werd door de vroege christenen overgenomen.

Kerkvaders

Oorspronkelijk werd alleen de bisschop als ‘vader’ aangesproken, later werd het ook de benaming van andere kerkelijke schrijvers. De bisschoppen die bij de vroege concilies bijeenkwamen bleven in de traditie van de kerk gezien worden als zeer speciale ‘patres’. Hun woorden zag men geplaatst in het verlengde van de woorden die door de apostelen zelf gesproken waren. Deze uitspraken hadden een onmiddellijk en onbetwist gezag. Noemde men de conciliebisschoppen al zeer snel ‘vaders’, pas vanaf de 6e eeuw (tijdens het tweede Concilie van Constantinopel) zijn er criteria opgesteld waaraan de vaders moesten voldoen om werkelijk als ‘kerkvader’ in de traditie van de kerk genoemd te worden.


Bisschoppen op het concilie van Nicea met de Geloofsbelijdenis

Criteria

Het was de Byzantijnse keizer Justinianus die bepaalde dat het in het belang van de kerk was dat er een lijst van gezaghebbende vaders moest komen, om de orthodoxie te bewaren. Veel later werden er, met als uitgangspunt een definitie van Vincentius van Lérins, vier criteria vastgesteld waaraan een pater ecclesiae, een kerkvader moest voldoen:

  1. Doctrina orthodoxa
    De hele theologie van de kerkelijke schrijver staat in de traditie van de kerk.
  2. Sanctitas Vitae
    De vader heeft een echt christelijke, een zogenaamd ‘heilige’ levenswandel gehad.
  3. Approbatio ecclesiae
    De kerk erkent officieel de leer van deze kerkvader.
  4. Antiquitas
    De kerkvader behoort tot de periode van de vroege, de ‘antieke’ kerk. In het jaar 451 werd het vierde oecumenische Concilie van Chalcedon afgesloten. Dit concilie vormt het sluitstuk van de periode waarin de canon van de heilige Schrift tot stand was gekomen en waarin de meest wezenlijke dogma’s van het christendom waren vastgesteld (De godheid van Christus en de Drie-eenheid; de eenheid van de goddelijke en menselijke natuur in Christus).

Het Latijnse Westen en het Griekse Oosten

Er wordt in de traditie van de kerk vaak onderscheid gemaakt tussen Griekse kerkvaders, de patres van het Oosten die in het Grieks publiceerden, o.a. Athanasius van Alexandrië (295-373), Basilius de Grote (330-379), Gregorius van Nazianze (329-389) en Johannes Chrysostomus (345-407) en Latijnse kerkvaders, de patres van het Westen, wier voertaal Latijn was, o.a. Ambrosius van Milaan (339-397), Augustinus van Hippo (354-430), Hiëronymus (347-420) en Gregorius de Grote (540-604).

Antiquitas?

Toch wordt er wel voor gepleit (o.a. door Joseph Ratzinger, paus Benedictus XVI) zelf, om de vadertijd later afgesloten te zien, namelijk in het Westen met Isidorus van Sevilla (560-636) en in het Oosten met Johannes Damascenus (676-749). Ratzinger wil ook de schrijvers onder de kerkvaders rekenen die in de tijd van de volksverhuizingen en van de expansie van de islam het christelijk geloof beleden en doordachten. Voor de oecumene vindt hij het belangrijk dat de kerkvaders leraren waren geweest in een nog ongedeelde kerk. Paus Benedictus bespreekt zelf ook de leer van Origenes (185-251)en Tertullianus (160-230). Zij zijn niet heilig verklaard en er werd zelfs een veroordeling over hen uitgesproken. Maar in hun eigen tijd werden zij wel als gezaghebbend beschouwd. Dit is een ander uitgangspunt dan de toepassing van de vier bovenstaande criteria en wordt tegenwoordig meer als richtlijn gebruikt. Bij het hanteren van dit uitgangspunt kan een kerkvader dus niet meer van zijn ‘predikaat’ beroofd worden in een latere tijd met andere ontwikkelingen in de theologische zienswijze.

Doctrina orthodoxa? Of: Kerkvaders en hun verscheidenheid van opvatting

Het zou een misvatting zijn om te denken dat middels het lijstje criteria er nu ook een totale eenheid in het denken van de kerkvaders naar voren komt. De kerkvaders vormen geen aparte, goed te bepalen groep. In de tijden waarin ze schreven bestond er geen uniforme en goed omschreven theologie. Er zijn kerkvaders die meer van oorsprong orthodoxe ideeën hebben dan andere. In hun tijd zijn de kerkvaders in overleg maar ook in confrontatie geweest met theologen en filosofen van toen. Dat heeft kleur gegeven aan hun uitspraken en mede de punten van nadruk bepaald die iedere kerkvader heeft gekozen in de uiteenzetting van zijn leer. In de gezamenlijke werken van de kerkvaders ontmoeten we dan ook een veelvoud aan theologieën, door de theoloog Turner beschreven als meer het beeld van een samenvloeiing van vele beekjes in een enkele stroom dan dat van een rivier die zijn weg naar de zee gaat, zonder zich te vermengen met andere waterstromen.

Kerkleraren

Ook uit latere tijd zijn er uiteraard grote theologen die als gezaghebbende kerkelijke schrijvers gelden. Dezen worden niet pater ecclesiae, kerkvader, maar doctor ecclesiae, kerkleraar, genoemd. Ze hebben dan niet de antiquitas, maar voldoen wel aan de andere criteria. Als vierde criterium wordt dan gesteld de ‘eminens doctrina’; hun leer heeft een bijzondere betekenis. Belangrijke kerkleraren zijn o.a. Bernardus van Clairvaux (1090-1153), Anselmus van Canterbury (1093-1109), Thomas van Aquino (1225-1274), Johannes van het Kruis (1542-1591). Ook enkele vrouwen worden kerkleraar genoemd. Het zijn er in de katholieke kerk drie: Catharina van Siena (1347-1380), Theresia van Avila (1515-1582) en Thérèse van Lisieux (1873-1897).

Ga terug naar Kerkvaders