Katholieken en hun geloofsgemeenschap

Doop

Opname in de (kerk)gemeenschap

Door de doop word je opnieuw geboren en in de familie van God, de spirituele familie, opgenomen. God de Vader wordt door de doop ‘vader’ van de dopeling (zo wordt de baby of volwassene die gedoopt wordt genoemd), Jezus Christus wordt ‘broer’ van de dopeling en Maria ‘moeder’.

Door de doop wordt de nieuwe katholiek ook lidmaat van de Kerk. De priester of diaken die doopt, wordt wel met ‘(eerwaarde) vader’ aangesproken. Terwijl de kerk als moeder het leven schenkt aan de dopeling vanuit de spirituele baarmoeder, de doopvont. Bij deze doopvont in de kerk wordt gedoopt, hierin bevindt zich het doopwater. Degene die wordt gedoopt wordt door de doop ook lid van de parochie en het bisdom waarin de doop plaatsvindt.

Doopbelofte

Bij de doop zijn behalve de dopeling ook de ouders, familieleden, vrienden en peetouders aanwezig. De peetouders of peten zijn de getuigen van de dopeling en degenen die hem of haar als voorbeeldige christenen steunen. Het uitspreken van de doopbeloften vormt een onderdeel van de doopviering. Omdat het kind niet voor zichzelf kan spreken, doen de ouders en peetouders dit. Is de dopeling een schoolkind, jongere of volwassene dan spreekt de dopeling de doopbeloften wel zelf uit. Als de doopbeloften zijn uitgesproken volgt daarna de geloofsbelijdenis, zoals die ook zondags wordt uitgesproken tijdens de eucharistievering. Direct daarop wordt de dopeling gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Erfzonde

Door de doop wordt de erfzonde afgewassen. Dit is geen persoonlijke zonde, maar heeft met onze oorsprong te maken. In onze oorsprong ligt een wonderlijk samenspel van God en de ouders. De mens is enerzijds een gave van de liefdevolle God; na de schepping wordt hij zeer goed genoemd door God, zo lezen we in de Bijbel. Al snel daarna is het misgegaan. De eerste mensen overtraden het gebod van God niet van de boom van kennis van goed en kwaad te eten. Ze werden uit het paradijs gestoten, waardoor ze niet meer van de boom van het leven konden eten, en dus stierven. De zonde van Adam en Eva, de eerste mensen, wordt volgens Augustinus doorgegeven van geslacht op geslacht. Door deze erfzonde is er een contactstoornis tussen God en mens, waardoor de mens God niet kan bereiken, en zijn levenskracht niet meer ten volle deelt. Daardoor is er ziekte en dood gekomen.

Elke mens nu wordt geboren uit ouders, mensen die goed zijn en tegelijk een leven leiden dat getekend is door tekorten. Ze hebben deel aan de wereld die vol onrecht en kwaad is. Met het goede van het mens-zijn geven ouders vanaf het begin ook dit tekort mee. En geleidelijk aan zal een kind ook deel krijgen en deelnemen aan dat kwaad. De erfzonde staat o.a. voor de natuurlijke menselijke neiging om te zondigen, het slechte te verkiezen boven het goede. De doop herstelt wat er eigenlijk uit zichzelf had moeten zijn, namelijk: een geestelijke weerstand tegen zonde en verleiding (bekoring). In het doopsel vertrouwen we de dopeling toe aan de reinigende en levenwekkende kracht van het water, dat door Jezus Christus is gereinigd. Daarmee spreken katholieken de hoop uit dat de levenwekkende kracht van Christus sterker is dan de macht van het kwaad. En van de dood (Vgl. Rom. 5,12-19 en Rom. 6,3-11).

Maar hiermee is nog niet alles gezegd. Een vaccinatie helpt het lichaam om weerstand op te bouwen, maar het biedt geen garantie. Net als een vaccinatie, is de doop een eerste stap op weg naar een ‘gezond’ geestelijk leven. Een leven waarin God en Zijn naam in ere worden gehouden. Een leven van gebed en naastenliefde. Een leven waarin dingen die slecht zijn worden vermeden en waarin voor het goede gekozen wordt met Gods genade. Om te weten wat goed en wat kwaad is, zijn er de Tien Geboden. In wezen gaat het in een ‘gezond’ geestelijk leven om liefde: de liefde tot God, de liefde tot de naaste en tot jezelf (Vgl. Rom. 6,12vv.; Gal. 5).

Ga terug naar Doop