Katholieken en hun geschiedenis / traditie

Contemporaine ontwikkelingen

Ontzuiling

Na 1960 begint de ontzuiling in Nederland. De katholieke organisaties op het vlak van de gezondheidszorg, onderwijs, landbouw, politiek, et cetera verdwijnen of hun invloed vervaagt. Daardoor werkt het geloof niet langer op een vanzelfsprekende, gemeenschappelijke en voorgegeven manier door in het maatschappelijke leven van katholieken. Er ontstaat een meer individueel gekozen, minder zichtbare en minder collectieve manier van gelovige doorwerking.


Ontkerkelijking

Ontkerkelijking is het proces van verminderde kerkbetrokkenheid. Er zijn minder mensen bij een kerk of godsdienstige groepering aangesloten. De cijfers spreken voor zich. In 1966 zegt 35 % van de Nederlandse bevolking dat ze aangesloten zijn bij de rooms-katholieke kerk en in 2006 geeft 16% dit aan. Dat percentage zal waarschijnlijk verder dalen, omdat het ledenbestand sterk is vergrijsd. Met de ontkerkelijking vervaagt de directe invloed van de kerk op de religiositeit van mensen. Er ontstaat een meer individuele manier van gelovig zijn met een flexibele binding aan de kerk.

De toekomst: kansen en problemen

In de huidige individualistische en multireligieuze cultuur spreekt het niet meer vanzelf dat de kerk invloed heeft op het leven van mensen en in de maatschappij. De kerk staat voor de uitdagende opgave om het evangelie zo ter sprake te brengen dat het als een boodschap van heil kan worden ervaren en aanvaard. Er zijn bemoedigende tekenen van hoop, zoals het Mea Culpa van paus Johannes Paulus II, en de openheid voor andere religies en de interreligieuze dialoog. Maar er zijn ook grote problemen en misstanden, zoals het misbruik van kinderen en jongeren.

 

Katholicisme en cultuur

Door de ontzuiling en de ontkerkelijking is de doorwerking van het geloof op het leven van mensen en van de maatschappij veranderd. De directe invloed: via de kerk en katholieke organisaties is verminderd. De binding is meer flexibel. Zo voelen veel mensen zich wel met het christendom of katholicisme verwant, terwijl ze niet gelovig zijn. Zij vinden de godsdienst belangrijk als moreel ankerpunt in de cultuur: voor het behoud van waarden en normen in de maatschappij, voor de opbouw van de civil cociety en als symbool voor de culturele identiteit. Of het is belangrijk vanwege het rituele repertoire. Op scharniermomenten in het maatschappelijke leven wordt een beroep gedaan op godsdienstige rituelen (rampen, zinloos geweld, de dood van een idool). En dat geldt ook voor scharniermomenten in het persoonlijke leven: rond geboorte, relatievorming en dood.

foto: Jeroeneck.nl

Geloof zonder kerk

Daarnaast zijn er mensen die wel gelovig zijn, maar die niet kerkelijk zijn. Dat leidde eerder wel tot geruststelling: het persoonlijke geloof leek voort te gaan zonder kerkelijkheid. De laatste gegevens wijzen echter uit, dat met de kerkelijkheid ook het gelovig zijn afneemt. Bovendien wordt steeds duidelijker, dat het geloof van buitenkerkelijken inhoudelijk sterk afwijkt van het geloof van kerkleden en van dat wat de kerken in het algemeen onder geloven verstaan. Het gaat hierbij vaak om een geloven zonder binding of om een verlangen om te geloven, dat gericht is op een onbestemd ‘iets’ waar geen christelijke of katholieke interpretatie aan is verbonden.

Geloof en kerk

Onder de kerkelijke gelovigen is de kerksheid verminderd: ze gaan minder vaak naar de kerk, ook bij hoogtijdagen. Het aantal dopen en kerkelijke huwelijken neemt af. Het geloof van kerkleden valt niet samen met het geloof van de kerk; een aantal geloofswaarheden wordt niet, of slechts in afgezwakte vorm aanvaard. De band tussen de kerk en haar leden is dus relatief zwak. Ook onder kerkleden spreekt het kerkelijk zijn niet meer vanzelf. Het wordt een keuze of, wanneer en op welke manier men met de kerk verbonden wil zijn. Ook kerkelijke gelovigen zoeken naar een manier van gelovig zijn die aansluit bij hun persoonlijke en maatschappelijke leven.

foto: Jeroeneck.nl

Een boodschap van heil?

Over het geheel genomen wordt de kerk niet alleen door ongelovige of onkerkelijke mensen, maar ook door gelovige en kerkelijke mensen bevraagd: is de kerk in staat om het evangelie dat haar is toevertrouwd, naar voren te brengen als een boodschap van heil en inspiratie voor het leven van mensen en voor de maatschappij? Kan de kerk een antwoord geven op de vragen naar God, zin, bezieling en verbondenheid? Staat de kerk open voor de vragen van mensen in deze tijd?

Mea Culpa

Een belangrijk moment van dialoog en openheid vormt het ‘mea culpa’ van paus Johannes Paulus II in het jaar 2000. Met deze schuld- en spijtbekentenis wil de kerk met een schone lei het derde millennium ingaan. De paus betuigde spijt en vroeg vergiffenis voor zeven zonden die in de loop van de geschiedenis in naam van de rooms-katholieke kerk zijn begaan. Opvallend was vooral het mea culpa voor de misdaden tegen het joodse volk. Andere thema’s waren de verdeeldheid onder de christenen, het geweld dat is gepleegd bij de verspreiding van de christelijke leer, de vervolging, overheersing en verachting van andere culturen en religies, de vernedering en discriminatie van vrouwen en rassen, de ontkenning van de grondrechten van het individu en het misbruik en de mishandeling van armen, gemarginaliseerden, kinderen en ongeborenen. Deze schuldbelijdenis is wisselend ontvangen. Sommige reacties beklemtoonden het authentieke, echte, en waardige karakter ervan. Anderen betreurden dat het mea culpa zich vooral op het verleden richtte. Zij zouden graag zien, dat het besef van feilbaarheid nadrukkelijker op hedendaagse discussies wordt betrokken.

Interreligieuze dialoog

Na Vaticanum II ontstaat binnen de kerk meer openheid voor de dialoog met andere godsdiensten. De kerk ‘verwerpt niets van datgene wat in andere godsdiensten waar en heilig is’ ook al is ‘de volheid van het godsdienstige leven te vinden in Christus’. Dit besef draagt bij aan een nieuwe visie op de omgang met andere godsdiensten en aan een dialoog met andere religies.

Seksueel misbruik

Een belangrijk probleem vormt het seksueel misbruik van minderjarigen dat binnen de katholieke kerk gepleegd is en waar vanaf het einde van de twintigste eeuw ook de kerk in Nederland mee te maken krijgt. Het misbruik door priesters en religieuzen waarvan melding is gemaakt vond plaats vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw en kwam pas decennia later naar buiten. Sommige gevallen kwamen voor het gerecht, andere werden door de kerkelijke overheid intern geregeld, soms toegedekt of door betrokkenen afgekocht. Problematisch waren niet alleen de gevallen van seksueel misbruik zelf, maar ook de gebrekkige manier waarop de autoriteiten binnen de katholieke kerk met het seksueel misbruik omgingen. Dat de kerk dit misbruik en de eigen omgang ermee achteraf publiekelijk heeft veroordeeld, kwam voor veel slachtoffers te laat. Naast de schade aan de slachtoffers tast het misbruik het vertrouwen in de kerk en de geloofwaardigheid van de kerk aan. De gedacht leeft breed, dat het misbruik niet te verenigen is met de evangelische boodschap van Gods liefde voor mens en wereld.

Ga terug naar Contemporaine ontwikkelingen