Katholieken en hun geschiedenis / traditie

Oerkerk

Oerchristendom

Het christendom is begonnen als een kleine joodse sekte. De aanhangers van dit nieuwe geloof stuitten op onbegrip bij de Joodse overheden. Ook Jezus ondervond weerstand van mensen uit zijn eigen gemeenschap die zich bedreigd voelden door zijn interpretatie van de joodse wet. Andere joden werden daardoor juist aangetrokken. Zij sloten zich aan bij een christelijke gemeenschap zonder hun jood zijn op te geven. Zo kunnen we de vroege christenen in drie groepen verdelen. Behoudende joden en hellenistische (Grieks sprekende) joden in Palestina en daarbuiten en als derde groep de hellenen (niet-joden) in Palestina en daarbuiten. De eerste christelijke groepen bestonden bijna helemaal uit joden. Later werd de groep niet-joden in de christelijke gemeenschap groter. Tussen deze groepen zaten grote cultuurverschillen waardoor zich ook deels andere Jezusbeelden ontwikkelden.

Vroege kerk

Veel regels, verordeningen en structuren kende de vroege kerk nog niet. Men geloofde dat Jezus spoedig zou terugkeren dus was er geen noodzaak de gemeenschap te organiseren. Dingen op papier zetten leek ook nog niet nodig omdat de apostelen, die de leiding in handen hadden, nog leefden. Er waren diakens die konden ondersteunen en zich inzetten voor de diaconie. Daarnaast kende de gemeente van Jeruzalem nog de ‘oudsten’ die samen met de apostelen leiding gaven aan de gemeente. Ook in andere gemeenten stelden de apostelen oudsten aan.

Toen het christendom zich begon te verspreiden kwam het in botsing met de Romeinse keizercultus (vervolgingen). Het is dan ook bijzonder dat dit kleine groepje tegendraadse volgelingen van die omstreden Jezus uiteindelijk een wereldgodsdienst is geworden.

Jodendom en christendom: overeenkomsten en verschillen

In de begintijd waren er vooral veel overeenkomsten tussen joden en christenen. De Galileeërs en de christenen van Jeruzalem beleden hun geloof in Jezus en bleven daarnaast met beide benen in de joodse gemeenschap staan. Dit betekende dat zij waren besneden, zich hielden aan de spijswetten, sabbat vierden, naar de synagoge gingen en geregeld te tempel bezochten. Dit was ook geheel in overeenstemming met het voorbeeld dat ze volgden; Jezus van Nazareth was een vrome jood. Het verschil tussen de joden en de christenen waren extra praktijken en opvattingen die de christenen volgden. Dit ging over de betekenis van Jezus en zijn verrijzenis en het samenkomen rond een avondmaal dat werd gevierd in aanwezigheid van niet-joden.

De eindtijd

Joden en christenen leefden beide in de verwachting dat nog tijdens hun leven het einde der tijden zou aanbreken. Maar er zat een belangrijk verschil in hun visie op eindigheid. De joden wachtten op de komst van de Messias; zij zagen om zich heen de tekenen dat het niet lang meer kon duren voordat de eindtijd zou komen. Voor de eerste christenen was Jezus de Gezalfde, de Messias (Hebreeuws voor gezalfde) of de Christus (Grieks voor gezalfde). De Messias was door God aangesteld om Israel voor te gaan en te leiden naar het definitieve Rijk van God. Zij wachtten op de wederkomst van Christus. Dit betekent dat men leefde in de hoop en verwachting dat het einde der tijden snel zou aanbreken.

Toen Jezus’ wederkomst uitbleef was dat een grote teleurstelling voor mensen. Ze waren daarom genoodzaakt Jezus’ verkondiging van de spoedige komst van het Rijk van God anders te gaan uitleggen. Er kwam meer nadruk op het belang van het geloof in Christus voor de dagelijkse geloofspraktijk. Men ging geloven dat met Jezus’ komst op aarde al een begin was gemaakt van het Rijk van God. Maar het zou langer duren voordat het zich volledig had gevestigd en men moest soms zoeken naar de tekenen dat het Rijk van God zichtbaar werd op aarde.

Eerst jood dan christen?

In het begin waren er veel vragen over de verhouding tussen jood zijn en christen zijn. Men vroeg zich af of de nieuwe christenen in de gemeenschappen in Griekenland en Klein-Azië eerst jood moesten worden voordat ze christen konden worden. Dit betekende dat ze zich moesten houden aan joodse gebruiken als de spijswetten en de besnijdenis. Paulus is opgekomen voor de nieuwe christenen. Hij vond dat met Christus een nieuwe tijd was begonnen. Hij stelde dat je christen kon worden zonder eerst jood te worden. Dit voorstel werd bevestigd in het eerste apostelconcilie (kerkvergadering) omstreeks het jaar 48. Niet door de besnijdenis maar door de doop werd iemands christelijke identiteit bevestigd.

Vanaf nu was het christendom toegankelijk voor alle mensen uit het Romeinse rijk. Maar de hellenisering van de christelijke boodschap maakte het voor trouwe joden op de duur steeds moeilijker om het geloof in Jezus te aanvaarden. Zij riskeerden hun joodse identiteit door christen te worden. De christelijke gemeenschappen buiten Palestina en die voornamelijk bestonden uit niet-joden verloren geleidelijk de band met de joodse wereld. Dit proces van hellenisering werd versterkt door de vernietiging van de tweede tempel in 70 na Chr. Christenen hadden zich steeds meer losgemaakt van de waarde van het beloofde land.

Tussen de twee blokken; het jodendom en het christendom kwamen de joden-christenen steeds meer in de verdrukking. Zij werden een randverschijnsel in beide groepen en werden door beide buitengesloten. Dit leidde er toe dat deze stroming op den duur helemaal verdween.

Paulus

Paulus bemoeide zich niet alleen met de kwestie rond het besnijden van niet-joodse christenen. In de Bijbel staan vele brieven die hij stuurde naar de verschillende christelijke gemeenschappen rond de Middellandse zee. Samen met de Handelingen van de apostelen, geschreven door de apostel Lucas, geeft dit ons een beeld van hoe de eerste christenen samenleefden en tegen welke problemen ze aanliepen. Lucas beschrijft hoe de volgelingen in naam van Jezus bij elkaar kwamen om het brood te breken en te delen. Ook kon men het hartgrondig met elkaar oneens zijn over bepaalde leefregels en geloofsuitspraken. Dit had natuurlijk ook te maken met cultuurverschillen en geografische afstanden tussen de uitgewaaierde gemeenschap. Paulus’ inzet bleef om de gezamenlijkheid van het geloof in Jezus Christus te benadrukken.

Deze verschillen noopten om meer dingen vast te leggen en regels te maken. Zodat de christelijke gemeenschappen in de kern een gemeenschappelijke boodschap zouden uitdragen. Daarnaast zag men in dat het einde der tijden op zich zou laten wachten. Toekomstige christenen moesten over de boodschap van Jezus kunnen lezen. De groep volgelingen van Jezus zou langzaam verdwijnen en daarom gaven de apostelen hun bevoegdheden door aan opvolgers. Belangrijke geschriften en mondelinge overleveringen werden gebundeld, zo ontstond de canon van de Bijbel. Over de boeken van het Oude Testament was snel overeenstemming. Maar aan de beantwoording van de vraag welke boeken van het Nieuwe Testament gezagvol waren ging een langdurig en moeizaam proces vooraf.

Christenvervolging

Na Jezus’ dood was er geen vooropgezet plan om de gemeenschap te laten groeien. Alle volgelingen gingen hun eigen weg, met als bindende factor: Jezus Christus. Jezus’ opstanding als overwinning van de dood was essentieel geworden voor zijn boodschap en de betekenis van zijn leven.

De Romeinen en Grieken waren niet altijd ontvankelijk voor dit nieuwe geloof in één God. Het kon per keizer verschillen hoeveel ruimte christenen kregen. Maar in de eerste twee en een halve eeuw zijn zij ook vervolgd. In de eerste twee eeuwen nog incidenteel en plaatselijk maar in de derde eeuw op grotere schaal en meer structureel.

Van keizer Nero (54-68 n.Chr.) weten we dat hij een gedeelte van Rome in brand zette en daar de christenen de schuld van gaf. De bekendste andere vervolgingen vonden plaats onder Claudius (41-54), Domitianus (81-96), Decius (249-251), Diocletianus, Galerius en Maximinus (303-305). Het is dan ook bijzonder dat dit kleine groepje tegendraadse volgelingen van die omstreden Jezus uiteindelijk een wereldgodsdienst is geworden. Onder keizer Constantijn (312-337) werd het tij voor christenen ten goede gekeerd.

Ga terug naar Oerkerk