Katholieken en hun vieringen (feesten)

Uitvaart

Houvast bij het loslaten…

Wie geboren wordt heeft tenminste één zekerheid: zij of hij gaat een keer dood! Ons hele leven zoeken wij zekerheid en houvast, anders is het geen leven. En net die ene zekerheid is onbestemd: al zingen we elkaar jaar in jaar uit ‘Lang zal zij/hij leven’ toe, niemand weet hoe lang dat is; ‘God mag het weten’, zeggen we wel.

Alle bijzondere ervaringen van het mensenbestaan zijn met rituelen omgeven. Juist ‘geheimen’, voor geen mens rationeel te duiden feiten als geboren worden, wat goed is en wat kwaad, wat liefde is en zeker ook sterven, kunnen we slechts omschrijven; niet beredeneren, wel benaderen. En een ritueel kader bieden, bijv. door liefde duidelijk te maken met een roos, een hart, een ring. Het geloofsverstaan van mensen verandert met de tijd en de ontwikkelingen die daarin plaatsvinden. Rituelen zijn duurzaam, die blijven, om het ondefinieerbare te ‘(be)vatten’. De katholieke uitvaart biedt bij het levenseinde van een gelovig mens zo’n bedding: weliswaar moeten we loslaten, uit handen geven. Maar dat zegt niet alles: in God zelf is er, in het verlengde van het leven en sterven van Jezus Christus, een nieuw en blijvend houvast!

Kracht en troost

Wanneer we een overledene de kerk in begeleiden aan het begin van haar/zijn uitvaartdienst, klinkt vanouds het ‘Requiem aeternam…’: nu je gestorven bent, bidden we je toe dat eeuwige rust je gegeven mag zijn, eeuwig licht je ten deel valt.

Requiem aeternam dona eis Domine, et lux perpetua luceat eis. Te decet hymnus, Deus, in Sion et tibi reddetur votum in Ierusalem. Exaudi orationem meam ad te omnis caro veniet.

Heer, geef hen eeuwige rust en eeuwig licht moge hen verlichten. U, God, komt een loflied toe in Sion, U wordt een groet gebracht in Jeruzalem. Hoor mijn gebed, tot wie alle mensen komen.

Is ‘daar’ geen enkele activiteit dan? en nooit meer duisternis? We komen in ‘de hemel’, geloven we (zie venster 19 ‘eindbestemming hemel’).  Of je er gelijk bent of dat er een weg stapsgewijs heenleidt, dat wordt, in de geschiedenis en ook nu, verschillend verstaan. De hemel is hoe dan ook de eindbestemming. Daar is het goed; daar komt alles goed. Tal van Bijbelteksten getuigen daarvan, bijv. de woorden van de Mensenzoon, die je ontvangt naar je daden van naastenliefde in dit bestaan (Mat. 25,31-46); of het visioen van Johannes in het laatste Bijbelboek (Apok. 21,1-6; 22,5), dat aan alle leed een einde komt, geen verdriet, geen pijn, zelfs de dood bestaat niet meer; God zelf zal daar alles in allen zijn. Zo is er nooit meer duisternis, zon en maan zijn zelfs niet meer nodig, God zelf omstraalt het geheel met de glans van zijn grenzeloze liefde; inderdaad: eeuwig licht verlichte je! Op het eind van de uitvaartdienst klinkt dit nog overtuigender haast in het ‘In paradisum…’.

In paradisum dedu­cant te ange­li: in tuo adventu sus­ci­piant­ te martyres, et perdu­cant te in ci­vitatem sanc­tam Jerusa­lem. Chorus angelorum te sus­cipiat, et cum Lazaro quon­dam pau­pere aeternam habeas requi­em.

Naar het paradijs geleiden je de engelen, dat bij je aankomst jou begroeten mogen de martelaren en zij je geleiden tot binnen de hemelse stad Jeruzalem. Dat het koor der engelen je met vreugde mag ontvangen en dat je als Lazarus, de arme van weleer, in het land van vrede mag zijn

Net als elk ander afscheidsritueel biedt de katholieke uitvaartdienst geen sluitende verklaring voor ‘wat daar gebeurt’. Vaak blijkt wel dat er een zeer troostende en bemoedigende kracht in ligt, die mensen raakt en bij alle verdriet goed doet en hoop geeft: een hemels perspectief.

Aarde en hemel verweven…

In de uitvaartdienst worden allerlei elementen verenigd die dat zicht versterken: de gezangen en gebeden, de Bijbellezingen en uitleg, de stilte, de zegengebaren, alles draagt daaraan bij. Is er in de Bijbel niet zomaar een eenduidig beeld van leven na de dood, het christelijk getuigenis laat daarover geen twijfel bestaan: Christus is opgestaan uit de dood, door de hemelse Vader voorgoed tot nieuw leven gewekt; en ook daarin zullen wij zijn volgelingen zijn. Een gelovig mens leeft God tegemoet; dat is niet pas na de dood, nee, dat is in alle leven, ook hier en nu. Ook hier kennen we ‘hemelse momenten’, hebben we ervaringen die ‘een eeuwigheid mogen duren’; iets van dat grootse perspectief ligt in ons mens-zijn besloten. En wordt waargemaakt, het zij nog eens gezegd, in de wijze waarop je mens bent en het leven deelt met anderen. Dan weet je ook hoezeer het een en het ander met elkaar verweven is. Prachtig klinkt dat door in de woorden van Paulus, die we ook vaak zingen in een uitvaartdienst: ‘Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen, niemand sterft voor zichzelf alleen. Zolang wij leven, leven wij voor de Heer, en sterven wij, dan sterven wij voor de Heer: (…), Hem behoren wij toe’ (Rom.14,7-8).

Tradities en nu

Vanouds werd er in de dagen tussen iemands overlijden en zijn/haar begrafenis gebeden rond de gestorvene. Gebruikelijk was dit aan huis, waar de dode lag opgebaard. Familie en buren kwamen dan samen, ook biddend, bijvoorbeeld elke avond een rozenhoedje. Nog altijd vindt opbaren thuis plaats; ook gebeurt dit vaak in rouwcentra; daar zijn dan speciale momenten van afscheid van de overledene en gelegenheid tot ontmoeting met en condoleren van de naasten. Aan de vooravond van de uitvaart wordt in de kerk soms een avondwake gehouden: dit is een gebedsmoment waarin vaak, meer nog dan in de uitvaartdienst, persoonlijke invulling kan worden gegeven aan dit afscheid. Werd lange tijd alles door de geestelijkheid verzorgd (waarin ons land ook rijk bedeeld was), vandaag de dag is een avondwake (soms zelfs ook een uitvaart) helemaal voorbereid door parochievrijwilligers, die ook met de familie samen voor een waardige invulling zorg dragen. Een kerkelijke uitvaart gaat vooraf aan de laatste tocht die we met de dode gaan, naar begraafplaats of crematorium. De uitvaartdienst heette ‘requiemmis’ en was bijna altijd een eucharistieviering, geleid dus door een priester. Door het geringe aantal beschikbare priesters, krijgen kerkelijke uitvaarten nu meer divers vorm.

Zwart, paars, wit…

Accentverschillen blijken o.a. bij het gebruik van de liturgische kleur. In vroeger tijd werd vaak de totale aankleding van het kerkgebouw voor een uitvaart ‘verduisterd’: overal zwarte bekleding, zwarte banieren, ja zelfs de priester droeg een zwart kazuifel. Dat pikzwarte scenario past eigenlijk niet bij ons r.-k. geloof: nu draagt de voorganger het paars, de kerkelijke kleur van verootmoediging, van rouw en hernieuwde toewijding. We zijn verdrietig dat een medemens ‘ons ontvallen is’, dat zij of hij geen deel meer uitmaakt voortaan van de alledaagse werkelijkheid waarin zij/hij een vanzelfsprekende plek had. Hierbij, zo mag duidelijk zijn, is de mate van verdriet doorgaans gerelateerd aan de lengte en de kwaliteit van het leven van de gestorvene. Bij iemand van hoge leeftijd, zeker iemand die echt oud en ‘opgesleten’ is, is er veel meer vrede en berusting dan bij een jonge moeder die sterft aan kanker, een verongelukt kind, iemand die door een misdrijf om het leven is gekomen. We zijn in rouw, maar komen tot overgave; dat lukt in de ene situatie beter dan in een andere, geen uitvaart is gelijk. De kern wel: wij moeten uit handen geven, maar weten dat daar, in die nieuwe dimensie aan de doodsgrens voorbij de dragende hand van God zelf je boven jezelf uittilt in zijn toekomst. Soms staat dit verrijzenisgeloof zo voorop dat mensen kiezen voor de blijheid van ‘de doortocht’: de uitvaartdienst wordt dan wel helemaal in het wit gedaan als uiting van groot vertrouwen: wij gaan op naar een eeuwig Paasfeest!

Ga terug naar Uitvaart