Waarin katholieken geloven

Heiligen en Martelaren

Heiligen

Heiligen zijn mannen of vrouwen die onder Gods bijzondere bescherming stonden tijdens hun leven en in wie Gods genade zich op een zeer duidelijke wijze manifesteerde. Als een geloofsgemeenschap in de oude Kerk meende dat iemand uit hun midden een heilige was, werd zijn/ haar lichaam opgegraven (elevatio). Dat werd vervolgens naar het altaar in een kerk gebracht (translatio). Daar werden de stoffelijke resten opnieuw begraven (depositio). Scherpe criteria voor een canonisatie bestonden niet.

Martelaren

Martelaren zijn mensen die – ondanks vaak wrede martelingen – standvastig blijven in het geloof. Door de dood gaan ze over naar de hemel. Medechristenen zorgden voor de begrafenis van hun lichaam. Op hun sterfdag kwam men jaarlijks samen bij het graf. Immers, hun sterfdag was tevens een feestdag: op die dag waren ze de hemel binnengegaan. Later bouwde men kerken boven die graven. Na 313 konden christenen hun geloof openlijk belijden. De vervolgingen hielden op. Dan ontstaat een ander type heilige: mannen, vrouwen en kinderen die het christelijk geloof soms ook prediken en uitdragen zonder dat ze belaagd worden.

Heiligverklaring

Vanaf het jaar 1000 werd het pauselijk gezag steeds sterker. Ook de heiligverklaring werd langzamerhand onderworpen aan regels. Een canonisatie kon eerst plaatsvinden, nadat voldaan was aan drie criteria: de heilige in spe moet de leer van de kerk hebben uitgedragen, hij/ zij moet een onberispelijk leven hebben geleid en er zou na zijn/ haar overlijden minstens een wonder moeten hebben plaatsgevonden op zijn of haar voorspraak.

Het kerkelijk jaar

Het kalenderjaar loopt niet parallel met het kerkelijk jaar dat twee cycli kent. Nieuwjaar begint op de eerste zondag van de advent. Dat is tevens het begin van de kerstcyclus die loopt vanaf de vierde zondag vóór Kerstmis tot en met de Opdracht van de Heer in de tempel (2 februari). Omdat 25 december op alle dagen van de week kan vallen, kan de advent op zijn vroegst op 27 november beginnen en op zijn laatst op 3 december.

De paascyclus kent een nog grotere afwijking. Pasen valt immers op de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente. Dat wil zeggen dat Pasen kan vallen van 22 maart tot en met 25 april. Omdat Aswoensdag, Hemelvaart en Pinksteren aan de paasdatum zijn gerelateerd, kunnen die feestdagen ook door het jaar heen schuiven.

Heiligendagen

Dwars door deze twee cycli heen lopen de feestdagen van de heiligen. De dag waarop een heilige gestorven is, op zijn of haar geboortedag in de hemel, is zijn feestdag. Dicht bij het begin van het kerkelijk jaar ligt het feest van de apostel Andreas (30 november). Sommige heiligen zijn zo populair dat hun feestdag nog steeds wordt gevierd, bijvoorbeeld Sint-Valentinus (14 februari), Sint-Maarten (11 november), Sint-Nicolaas (6 december) en Sint-Sylvester (31 december). De laatste dag van oktober staat bekend als Halloween. Dat is een verbasterde verkorting van het Engelse ‘All Hallows Eve’, dat wil zeggen de avond vóór Allerheiligen (1 november). Op deze laatstgenoemde dag worden alle heiligen herdacht die – om wat voor reden dan ook – in de vergetelheid zijn geraakt. Net zoals op 2 november aandacht geschonken wordt aan de zielen van alle overledenen die nog in het vagevuur boete voor hun zonden doen (Allerzielen).

Naamheiligen

Iedere nieuwe wereldburger krijgt een naam. Vroeger gingen namen vaak generaties lang mee in een familie: traditioneel werd de oudste zoon vernoemd naar de opa van vaderskant. Tegenwoordig zijn namen nogal hype-gevoelig. Baby’s worden vernoemd naar voetballers of zangers of zangeressen, enzovoorts. Vele namen zijn afgeleid van een heilige: zo levert Lodewijk IX de Heilige (koning van Frankrijk; 1214-1270; feestdag 25 augustus), de jongensnamen Lewie, Lewis, Ludo, Lode, Ludwig en Louis en Louise, Loes, Wies en Wiske als meisjesnamen.

Men ging ervan uit dat heiligen bescherming boden. Vroeger werd een verjaardag niet gevierd, maar wel de naamdag, dat is de feestdag van de heilige naar wie men vernoemd is. Soms levert dat problemen op. Hans, Jan, Johan en John en Janneke, Joan, Jeanette en Jane zijn allemaal vernoemd naar Johannes. Maar naar welke? Naar Jezus’ neef, bijgenaamd de Doper (feestdag 24 juni), of Johannes de Evangelist, Jezus’ lievelingsleerling (feestdag 27 december)? Of naar een van de talloze latere heiligen die naar een van deze twee waren vernoemd? Bijvoorbeeld Jeanne d’Arc (feestdag 30 mei), Jan Berchmans (feestdag 13 augustus), Giovanni ‘Don’ Bosco (feestdag 31 januari) of Jean-Baptist Vianney, de pastoor van Ars (feestdag 4 augustus).

Patroon- of beschermheiligen

Daarnaast zijn ook kapellen, kerken, kloosters en steden aan een heilige gewijd, ‘in ruil voor’ bescherming. Zo staat in vele Nederlandse steden een Sint-Nicolaaskerk: deze heilige kindervriend was immers ook de patroonheilige van schippers en zeelui. Maastricht heeft Sint Servaas (feestdag 13 mei) als patroon en Haarlem Sint Bavo (feestdag 1 oktober).

Heiligen kunnen ook bescherming bieden aan beroepsgroepen. Zo is de legendarische maagd-martelares Apollonia patrones van de tandartsen, ongetwijfeld omdat tijdens haar kwellingen al haar tanden werden uitgerukt. Lucas (feestdag 18 oktober) is patroon van de schilders: volgens de legende zou deze evangelist een portret van Maria hebben geschilderd.

Tenslotte kunnen heiligen worden aangeroepen ter bescherming tegen ziektes, van mensen en dieren. De heilige Gertrudis van Nijvel (feestdag 17 maart) is patrones van de katten. Bij kiespijn kan men de reeds genoemde Apollonia aanroepen. En wie iets kwijt is, wendde zich tot Antonius van Padua (feestdag 13 juni).

Zalig- en heiligverklaring

In de eerste drie eeuwen van onze jaartelling kwamen christenen op de sterfdag samen bij het graf van een martelaar. Men beurde elkaar dan op. Immers, de heilige had dit aardse tranendal verlaten en was nu voor eeuwig gelukkig in de hemel. Later werd boven zo’n graf vaak een kerk of kapel gebouwd.

Na 313 konden christenen hun geloof openlijk belijden. Mannen en vrouwen konden het christelijk geloof prediken en uitdragen zonder dat ze belaagd werden. Sommigen trokken zich terug uit de wereld om in hun eentje (Antonius Abt; feestdag 17 januari) of in een gemeenschap (Benedictus van Nursia; feestdag 11 juli) God te dienen. Anderen hielden zich bezig met het uitleggen van de Heilige Schrift (Hieronymus; feestdag 30 september) of het vastleggen van de orthodoxe leer (Augustinus; feestdag 28 augustus). Weer anderen verlieten huis en haard om het evangelie aan de heidenen te prediken (Patricius; feestdag 17 maart).

Tot omstreeks 1000 was er geen officiële zalig- of heiligverklaring. Na het jaar 1000 werd het pauselijk gezag steeds sterker. Ook de heiligverklaring werd langzamerhand onderworpen aan regels.

Nadat Luther en andere hervormers heftige kritiek hadden uitgeoefend op de heiligenverering, zag de kerk zich gedwongen daarnaar te kijken. Allereerst begon men na het Concilie van Trente (1545-1563) de levensbeschrijvingen van alle heiligen nauwgezet op het waarheidsgehalte te onderzoeken. Dit leidde ertoe dat de precieze historiciteit van een aantal heiligen niet te achterhalen viel, en dezen werden uiteindelijk minder prominent op de heiligenkalender gezet. Dat lot viel bijvoorbeeld Joris of George (feestdag 23 april), Agatha (feestdag 5 februari), Barbara (4 december) en Nicolaas (6 december) ten deel.

Vervolgens werden ook de criteria aangescherpt waaraan een heilige moest voldoen. Volgens decreten van paus Urbanus VIII (1623-1644) kan een canonisatie pas plaatsvinden, nadat een commissie na uitvoerig en nauwgezet onderzoek heeft vastgesteld of de kandidaat (m/v) de ware, orthodoxe, rooms-katholieke leer heeft verkondigd, zich voorbeeldig heeft gedragen en God na het overlijden wonderen heeft laten plaatsvinden. Aanvankelijk moesten voor een heiligverklaring vijf postume wonderen worden vastgesteld. Onder paus Johannes Paulus II (1978-2005) is het aantal wonderen voor een zaligverklaring teruggebracht tot één en voor een heiligverklaring tot twee. Als aan deze drie criteria is voldaan kondigt de paus plechtig af dat de persoon lokaal (als zalige) of wereldwijd (als heilige) vereerd mag worden.

Ga terug naar Heiligen en Martelaren