Katholieken en hun bezinning

Gewijde muziek

Gewijde muziek in de liturgie

De bekendste vorm van gewijde muziek in de liturgie is het Gregoriaans (van Paus Gregorius de Grote), ontstaan in de vroege Middeleeuwen. De gezangen van de mis worden verdeeld in vaste gezangen die in iedere mis aanwezig zijn (ordinarium; Lat.: ‘volgens vaste regel’) en wisselende gezangen (proprium: Lat.: ‘eigen aan de tijd’) afhankelijk van wat er op een bepaald moment gevierd of herdacht wordt. Naast deze vaste en wisselende gezangen bestaan er zogenaamde sequensen, lofzangen die worden gezongen op bepaalde momenten van kerkelijk jaar.

Kerkmuziek als inspiratiebron

Door de ontwikkeling van de muzieknotatie en de meerstemmigheid richtten veel componisten zich op het maken van kerkmuziek. Veel componisten waren priesters (Gregorio Allegri; Gilles Binchois; Antonio Vivaldi, bekend als de Rode Priester). Daarnaast was het voor musici soms de enige manier om geld te verdienen, niet alleen in de kerk maar ook aan een adellijk dan wel aartsbisschoppelijk hof.

Door de eeuwen heen is de mis – of een onderdeel daarvan – een geliefd onderwerp voor componisten geweest. Niet alleen katholieke componisten, ook protestantse componisten (Johann Sebastiaan Bach).

Gewijde muziek is meer dan kerkmuziek

Gewijde muziek beperkt zich niet langer tot liturgische muziek. Naast symfonische muziek worden gospels en andere koormuziek, sommige kinderliedjes en hedendaagse liederen den gerekend tot gewijde muziek. Het gemeenschappelijke kenmerk is dat het liederen en gezangen zijn die gaan over de goddelijke Drie-eenheid, de Bijbel, Bijbelse personen en geloof.

Het Gregoriaans

De term ‘Gregoriaans’ komt van kerkvader en paus Gregorius I de Grote (540 – 604). Hem wordt een grote invloed toegeschreven op het ordenen van de bestaande muziek in de kerkelijke liturgie en het opstellen van richtlijnen waaraan kerkmuziek hoort te voldoen. Volgens een legende uit de achtste of negende eeuw zou hij al deze gezangen hebben gecomponeerd, geïnspireerd door de heilige Geest. Paus Gregorius wordt daarbij soms afgebeeld met een duif op zijn schouder – de heilige Geest – die hem de gregoriaanse gezangen influistert, terwijl andere geestelijken op de achtergrond de melodieën noteren. Daarnaast heeft hij er voor gezorgd dat er een professionele zangschool kwam: de Scola Cantorum.

Onduidelijk is hoe de kerkmuziek is ontstaan. Verspreiding van de kerkmuziek gebeurde in meerdere vormen. De eigenlijke ontwikkeling van het gregoriaans dateert van de 8e eeuw (Karolingische periode) door een vermenging van Oud-Romeins repertoire en Gallicaanse zang (Cantus Gallicanus), toen de Romeinse zang en liturgie in het Frankische rijk werd ingevoerd ten koste van de Gallicaanse liturgie. Zowel Pepijn de Korte als Karel de Grote speelden hierin een belangrijke rol: keizer Karel wilde zaken op geestelijke en wereldlijk terrein standaardiseren om de eenheid in zijn rijk te bevorderen. Van de 9e tot de 11e eeuw maakte het gregoriaans gebruik van een eigen notenschrift, dat per gebied verschilde. De muziektekens werden ‘neumen’ genoemd. Het huidige ‘gregoriaans muziekschrift’ is de ‘kwadraatnotitie’. Het concilie van Trente (1545-1563) besloot tot een standari-sering van het gregoriaans (Editio Medicea), die echter maar beperkt werd doorgevoerd.

Het gregoriaans wordt gekenmerkt door het ontbreken van een genoteerde maat en genoteerd ritme; een zwevende en middelpuntzoekende lijn; beperkte omvang in toonhoogte; kleine intervallen; eenstemmige vocale muziek (acapella) en volgens de semiologische school, die de nadruk legt op wat de betekenis van de tekst kan zijn, zodanig gecomponeerd dat de zeggingskracht van het woord versterkt wordt.

Het gregoriaans repertoire kent de volgende manieren van uitvoering: antifonaal (afwisselende gezangen door de geestelijkheid); responsoriaal (afwisselend gezongen door een solist en de gelovigen); psalmodie (alleen gezongen door een solist afgewisseld met teksten en lezingen).

Het zingen van de noten gebeurt ook op verschillende manieren: syllabische stijl (één toon per lettergreep); neumatische stijl (één notengroep van enkele noten per lettergreep waarbij de noten verbonden zijn genoteerd); melismatische stijl waarbij vele noten worden gebruikt op één lettergreep.

Termen die ook op het gregoriaans van toepassing zijn: tropen (tekstuele of muzikale toevoegin-gen); sequentia (‘vervolg’: volgt op het melismatisch alleluia) en liturgisch drama (met bestaande gregoriaanse gezangen Bijbelverhalen en heiligenlegendes uitbeelden op hoogtijdagen).

Gewijde muziek in de liturgie

De gezangen in de liturgie kunnen worden verdeeld in vaste gezangen die in elke mis aanwezig zijn (het ordinarium; Latijn: ‘volgens vaste regel’) en wisselende gezangen, afhankelijk van wat er op een bepaald moment van het kerkelijk jaar gevierd of herdacht wordt (proprium; Latijn: ‘eigen aan de tijd).

De vaste gezangen zijn het Kyrie (smeekzang om ontferming); Gloria (lofzang); Credo (katholieke geloofsbelijdenis); Sanctus en Benedictus (lofteksten) en Agnus Deï (smeekzang om verlossing). Voor deze teksten bestaan veel gregoriaanse melodieën.

De belangrijkste wisselende gezangen zijn het Introïtus (intredezang); Graduale (beurtzang); Alleluia; Offertorium (gezang bij de offerande) en Communio (gezang als de communie wordt uitgereikt).

Kerkmuziek als inspiratiebron

Door alle eeuwen heen is de mis, of onderdelen daarvan, een inspiratiebron geweest voor componisten. Een van de grootste componisten is de protestantse componist Johann Sebastiaan Bach. Gregoriaanse melodieën werden als basis genomen voor verder meerstemmige muzikale bewerkingen. In de protestantse traditie vormt het kerklied het belangrijkste uitgangspunt voor de kerkmuziek. Op basis hiervan ontstonden koraalbewerkingen,  oraalfantasieën en variaties, motetten en cantates. Katholieke componisten als Max Reger lieten zich weer inspireren door het protestantse kerklied.

Beroemde werken op het gebied van de kerkmuziek zijn:
de Mattheuspassion van Johann Sebastiaan Bach; de Missa Solemnis van Ludwig van Beethoven; de Reqiuems van Wolfgang Amadeus Mozart (1792), van Guiseppe Verdi (1874) en Gabriel Fauré (1888) en het Stabat Mater van Pergolesi. En dan zijn daar ook nog talloze Te Deums en Gloria’s.

Gewijde muziek is meer dan kerkmuziek

Vandaag de dag omvat gewijde muziek meer dan alleen muziek die geschreven is en gebruikt wordt voor de liturgie. Eén van de meest bekende vormen van gewijde muziek naast de kerkmuziek is de gospelmuziek. Het Engelse woord gospel betekent ‘evangelie’. De term ‘gospelmuziek’ wordt soms gebruikt als algemene aanduiding voor christelijke muziek. Dit is feitelijk niet correct, omdat gospel verwijst naar één bepaald muziekgenre, terwijl christelijke muziek in alle muziekgenres wordt gemaakt.

Diverse nationaal en internationaal bekende koren zingen gewijde muziek tijdens een optreden buiten de kerkmuren. Een voorbeeld hiervan is het Oslo Gospel Choire uit Noorwegen. Er zijn ook combo’s en zanggroepen die zich bezig houden met kerkmuziek; zij treden op in kerken ter ondersteuning van kerkdiensten, maar ook buiten de kerkmuren. Landelijk bekend waren in de vorige eeuw ‘the Lighers’.

Daarnaast zijn er liedjes geschreven voor kinderen, zodat zij op eenvoudige manier het evangelie horen en mogelijk begrijpen. Beroemd in Nederland zijn Elly en Rikkert Zuiderveld.

Ga terug naar Gewijde muziek