Waarin katholieken geloven

Schepping

Genesis

In het begin schiep God de hemel en de aarde.’ Dat zijn de allereerste woorden in de Bijbel, uit het boek Genesis. God brengt orde in de chaos. In zes dagen, beginnend met de schepping van het licht en eindigend met het hoogtepunt van de schepping: de mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.

Elke keer nadat God iets geschapen heeft, staat er: ’En God zag dat het goed was’. Na de schepping van de mens staat er zelfs: ‘En Hij zag dat het heel goed was’.

 

Schepping is goed

Volgens de H. Schrift is de schepping dus van nature goed. Alles is immers geschapen door God, die zelf het goede bij uitstek representeert. De natuur is geen gevaarlijke tegenstander, die overwonnen zou moeten worden.

Gods goedheid was de enige reden om de wereld te scheppen. Dat de wereld er is, is geen toeval of noodzaak. God heeft haar geschapen omdat Hij dat wilde, als een geschenk aan de mens.

Voltooiing van de schepping

De schepping is niet af. De mens kreeg de verantwoordelijkheid de schepping te voltooien. Hij is een medewerker van God in het scheppingswerk. De wereld is ons door God toevertrouwd. ‘(–); bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt’ (Gen. 1,28).

Dit betekent echter geen vrijbrief voor het uitbuiten van de aarde. Onze heerschappij is niet absoluut. Wij moeten als een rentmeester zorgen voor de wereld.

Twee scheppingsverhalen

In de Bijbel staat niet één maar staan zelfs twee scheppingsverhalen. In het eerste hoofdstuk van Genesis staat het verhaal over God die hemel en aarde heeft geschapen in zes dagen. Op de zevende dag, de heilige sabbat, rustte God uit. Dit verhaal ordent de wereld in een hiërarchie van de schepselen. Het loopt uit op het hoogtepunt van de schepping: de mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.

In het tweede hoofdstuk van Genesis wordt het verhaal van de schepping nog een keer verteld, maar wel anders. In tegenstelling tot het eerste scheppingsverhaal, waar God alles schept door zijn Woord (‘En God sprak’), krijgen wij in het tweede scheppingsverhaal een plastisch beeld. God boetseert uit de aarde de mens en blaast hem de levensadem in. Vervolgens gaat God op zoek naar een metgezel voor de mens, want ‘Het is niet goed dat de mens alleen blijft’ (Gen. 2,18). En dan komen vervolgens alle schepselen langs. Hier is de volgorde van de schepping omgekeerd. Eerst wordt de mens geschapen, dan de bomen, de planten en de dieren. Aan het einde van dit scheppingsverhaal wordt weer een mens geschapen: de vrouw. Adam en Eva zijn het eerste mensenpaar.

Uit de Bijbelwetenschap weten wij inmiddels dat deze twee verhalen door verschillende schrijvers zijn geschreven, oftewel uit verschillende verhaaltradities komen. Toch staan ze samen in de Bijbel. De schepping is zo’n mysterie, dat is niet met één verhaal te beschrijven. In plaats van slechts een verhaal te kiezen, besloten de samenstellers van de Bijbel de rijkdom van beide verhalen op te nemen.

Het eerste boek van de Bijbel is niet de enige plaats waar het wonder van de schepping wordt beschreven. Mooie voorbeelden vind je ook in Psalm 104 en in het boek Job, hoofdstuk 38-41.

Het kwaad

Maar als God de wereld geschapen heeft en zegt dat het goed was, hoe kan dan het kwaad bestaan? Dat is net zo’n oervraag als die naar de oorsprong van de wereld. In de Bijbel staat het antwoord in het verhaal van de zondeval (Genesis 3). De eerste mensen, Adam en Eva, leven in de tuin van Eden, die ze bewerken en beheren. Van alle bomen in de tuin mogen ze eten, behalve van de boom van de kennis van goed en kwaad. Als ze dat wel doen, zullen ze sterven. Verleid door de duivel, in de vorm van een slang, eten Adam en Eva toch van de boom van de kennis van goed en kwaad. Dit is de eerste zonde van de mens, hij is ongehoorzaam geweest aan het gebod van God. Als straf worden Adam en Eva uit de paradijselijke tuin verjaagd.

Het verhaal vertelt dus dat de mens aan God gelijk wilde zijn. De mens is geschapen naar het beeld van God, maar is niet aan God gelijk. Wanneer de mens zich dat inbeeldt, gaat het fout.

Uit de analyse van de Bijbeltekst blijkt dat de mens door God is geschapen met een vrije wil, hij kan dus kiezen voor het goede of het kwade. Vanaf het begin heeft de mens gebruik gemaakt van die mogelijkheid en heeft de zonde zijn intrede in de wereld gedaan. Later in de kerkgeschiedenis is hieruit de leer van de erfzonde ontwikkeld. (Link met venster over verlossing)

Waar gebeurd?

Hoe moet je de Bijbelse scheppingsverhalen lezen? Theologen hebben daar eeuwen mee geworsteld. Als mensen in de 21e eeuw die weet hebben van de natuurwetenschappen en in het bijzonder van de evolutietheorie kijken wij anders tegen de wereld aan dan de schrijvers van de Bijbelverhalen.

Reflectie op het literaire genre van het boek Genesis leert ons dat het geen geschiedenisboek en ook geen wetenschapstheorie is. De Bijbel is een gelovig verhaal. Het staat vol met gelovige visies van mensen die de wereld om hen heen in relatie tot God proberen te verstaan. Vanuit het geloof in een bevrijdende God die met mensen begaan is, worden antwoorden gegeven op de oermenselijke vragen naar de oorsprong van alle leven. Voor veel christenen kan het verhaal, als gelovig verhaal, daarom goed samengaan met onderdelen van het natuurwetenschappelijke verhaal van de evolutie.

De katholieke theologen zijn echter nog een stapje verder gegaan in hun reflectie op de scheppingsverhalen. Ze komen ertoe om Genesis verder te analyseren en concluderen dat God de wereld uit het niets heeft gemaakt. Dat concept is typisch joods-christelijk. God is geen onderdeel van de wereld. Nee, de wereld is als geheel geschapen door God, die er geen deel van uitmaakt. Bovendien gelooft de kerk dat God de wereld niet op een gegeven moment heeft geschapen en toen heeft losgelaten, maar dat Hij haar ook elk moment in stand houdt.

De opdracht van de Schepper

In de Bijbelse scheppingsverhalen krijgt de mens de uitdrukkelijke opdracht om zorg te dragen en verantwoordelijkheid te nemen voor de andere schepselen en het geheel van de schepping. De mens is medeschepper. Hij moet de tuin die hem door God is gegeven, bewerken en beheren (Gen. 2,15). Maar de mens mag daarbij, volgens de katholieke leer, nooit vergeten dat alles hem geschonken is door God. Mensen mogen daarom niet zomaar naar willekeur beschikken over de aarde en de dieren. Als mensen de aarde op die manier aan zich ‘onderwerpen’ (Gen. 1,28), is dat een onjuiste interpretatie van het Bijbelverhaal. In de scheppingsorde staat de mens weliswaar boven de andere schepsels, maar dat brengt juist een verantwoordelijkheid voor de schepping en de schepsels met zich mee. De schepsels zijn een geschenk van God en ze moeten gevoed en beschermd worden. Binnen de katholieke traditie komt deze houding ten opzichte van de schepping met name in de franciscaanse spiritualiteit naar voren.

Ga terug naar Schepping