Katholieken en hun bezinning

Cultuur en religie

Geloof en kunst

Op vakantie lopen velen even een kerk binnen. Even kijken naar het gebouw, naar de vaak oude heiligenbeelden en schilderingen; even genieten van de stilte en de koelte, en soms ook een kaarsje opsteken. Een kerk nodigt uit om binnen te gaan. En het is nog gratis ook!

De rooms-katholieke kerk staat bekend om haar rijke geschiedenis en de kunstzinnige uitingen van haar geloof. Soms overdadig, soms ingetogen: in alle fasen van haar geschiedenis hebben gelovige kunstenaars iets van hun geloof willen uitdrukken. De kunstgeschiedenis van Europa heeft voor een belangrijk deel vorm gekregen in de kerkelijke kunst van de kerk.

Omstreden?

Toch is het helemaal niet zo vanzelfsprekend dat kunstuitingen zo’n belangrijke plaats hebben in de kerk. Want in de Bijbel staan de tien geboden van God. Eén daarvan luidt:

‘Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde. Gij zult u voor hen niet ter aarde buigen en hun geen goddelijke eer bewijzen; (…)’ (Ex. 20,4-5).

Je voelt wel aan dat dit gebod vragen kan oproepen bij het gebruiken van kunst in de kerk.

Beeldenstrijd

De kerk staat bekend om haar rijke geschiedenis en de kunstzinnige uitingen van haar geloof. Toch zagen we al dat niet zo vanzelfsprekend is. Het gebod uit Exodus roept vragen op bij het gebruik van kunst (afbeeldingen) in de kerk.

Dat gebeurde dan ook in de zevende en achtste eeuw, toen het gebruik en vereren van afbeeldingen van Jezus en de heiligen op iconen (Grieks voor ‘beeld’) ter discussie werd gesteld door bisschoppen. Deze tegenstanders van het afbeelden werden de iconoclasten genoemd, de beeldenstormers. Keizer Leo de Derde (675-741) werd overtuigd door de iconoclasten en verbood alle afbeeldingen van Jezus en heiligen in 730. Maar veel gelovigen waren het daar niet mee eens, zij werden de iconodulen genoemd: de beeldenvereerders. Keizerin Irene (752-803) riep in 787 het Tweede Concilie van Nicea bijeen, een samenkomst van bisschoppen. Daar werd besloten dat de verering van afbeeldingen is toegestaan, maar niet de  ‘aanbidding’ ervan. Aanbidding komt alleen God toe. Daarmee was de strijd echter nog niet beslist. Dat gebeurde pas onder keizerin Theodora II (+867) in 843.

De vroege kerk

Omdat de katholieke kerk begon als een beweging binnen het joodse volk en het joodse geloof, is er aanvankelijk weinig verschil tussen hoe joden en christenen omgingen met kunst. Anders dan het jodendom werd de kerk in de eerste vier eeuwen op veel plaatsen vervolgd. In het Romeinse Rijk was het christelijk geloof verboden en soms was het zelfs gevaarlijk om christen te zijn. Er zijn uit die tijd veel voorbeelden van martelaren: christenen die ondanks de dreiging van een marteldood, toch vast bleven houden aan hun geloof. Deze martelaren werden geloofshelden en hun daden werden herdacht. Rond 200 waren er inmiddels veel christenen die geen joodse afkomst hadden, het waren bekeerde heidenen: Romeinen, Grieken en mensen uit andere volkeren en culturen. Omdat het gebruik van afbeeldingen in de godsdiensten van deze culturen heel gewoon was, raakte de schroom over het afbeelden van geloofshelden en van Jezus steeds meer op de achtergrond. Er zijn munten gevonden uit deze periode met de afbeelding van de apostelen Petrus en Paulus in Rome.

Vanwege de vervolgingen speelde het leven van de kerk zich in het verborgene af: ondergronds of achter gesloten deuren. Bekend zijn de schilderingen uit de catacomben, ondergrondse gangenstelsels, waar christenen hun doden begroeven en hun martelaren herdachten. Maar ook bovengrondse huiskerken zoals in Doura-Europos en de huiskerk onder de San Giovanni in Rome, werden beschilderd met verbeeldingen van Bijbelse en na-Bijbelse geloofshelden.

Christelijke motieven

In 180 beschreef de priester Clemens van Alexandrië motieven die geschikt waren voor zegelringen van christenen: de duif (zinnebeeld van de heilige Geest: één van de drie personen van de heilige Drie-eenheid); de vis (in het Grieks: ICHTUS: Iesous Christos Theou Uios Soter: Jezus Christus Zoon van God en Verlosser); een scheepje (zinnebeeld van de kerk die de gelovige door de woeste stormen van het leven veilig thuisbrengt in de hemel: de woonplaats van God, Mat. 14,22-36) en het anker (zinnebeeld van de hoop, Heb. 6,19).

Al gauw kwamen daarbij andere symbolen, waarvan het zinnebeeld van ‘de goede herder’ één van de belangrijkste is. Dit symbool verwijst namelijk direct naar Jezus, omdat Hij zichzelf de goede Herder heeft genoemd (Luc. 15,4-7 en Joh. 10,1-18). Het beeld van de goede herder was onverdacht in de Romeinse samenleving, want ook de Romeinse god Hermes werd afgebeeld als herder en de herder Orpheus – die ongedeerd terugkeerde uit de onderwereld; de wereld van de doden – was een bekende figuur uit de Romeinse mythologie.

Ook het kruis werd gebruikt als christelijk symbool. Rond 180 schreef bisschop Irenaeus van Lyon: ‘Omdat het Woord van God almachtig is en zijn onzichtbare aanwezigheid zich uitstrekt over ons en de hele wereld vervult, zet het zijn invloed voort over de wereld in zijn lengte, zijn breedte, zijn hoogte en zijn diepte. Want door het Woord van God staat alles onder invloed van zijn Verlossing en de Zoon van God heeft met zijn kruisdood het teken van het kruis op alles afgetekend’.

Een ander symbool voor Jezus dat werd gebruikt is het lam (Joh. 1,29), een symbool met een rijke symbolische en Bijbelse inhoud. En het Chi-rho teken: de eerste Griekse letters van het woord Christus: XP, was en is een veelgebruikte verwijzing naar Jezus. Het was dit teken dat keizer Constantijn de Grote (280-337) aan de Milvische brug voor Rome op 28 oktober 312, vóór de strijd met zijn mededinger Maxentius, in de hemel zag staan, met de woorden: ‘In dit teken zul je overwinnen’.

Nadat de katholieke kerk staatskerk werd van het Romeinse Rijk in 380, kregen kunstuitingen meer ruimte in de kerk. Er werden kerkgebouwen ontworpen, die versierd mochten worden en gevuld met verbeeldingen van geloofshelden en Bijbelverhalen. Een van de mooiste voorbeelden vinden we in Ravenna, met schitterende 5e en 6e eeuwse mozaïeken.

San Appolinare
(Ravenna, 500 n.Chr.)
Aartsbisschoppelijke kapel
(Ravenna, 500 n. Chr.)

Omdat God mens werd in Jezus, is het geoorloofd om op een vrijere manier om te gaan met het Bijbelse gebod tegen afbeeldingen uit Exodus. In 692 besloten de bisschoppen op het Concilie van Constantinopel dat ‘Christus onze God, als mens moet worden afgebeeld en niet als lam, zoals vroeger’. God werd mens in Jezus en daarom is Jezus ook het ‘beeld’ van God (Joh. 14,1-10).

Een theoloog die veel heeft bijgedragen aan het begrijpen waarom katholieken beelden en afbeeldingen mogen vereren, is Johannes Damascenus (676-749). Hij verwees voor dit vraagstuk naar de incarnatie van Jezus, God die mens geworden is, die zich zichtbaar aan ons heeft laten zien, en daarom ook afbeeldbaar is.


Gero-kruis 970

Geloofsverkondiging

Zo werd kunst een onlosmakelijk onderdeel van de katholieke eredienst en het katholieke leven. In latere eeuwen speelde de verbeelding van Jezus’ leven en andere Bijbelse taferelen in kerken ook een belangrijke rol in de geloofscommunicatie, omdat veel gelovigen ongeletterd waren. Door de gebrandschilderde ramen, schilderingen en beeldhouwwerken konden zij toch kennis nemen van het geloofsgoed. Daarnaast hebben kunstuitingen op steeds andere manieren iets uitgedrukt van de gelovige ervaring: ontzag, eerbied enerzijds; ontroering en herkenning anderzijds.

Ga terug naar Cultuur en religie