Katholieken en de samenleving

Katholieke Sociale Leer

Een leer geboren uit nood

De katholiek sociale leer benadrukt dat een goede samenleving iedereen omvat en niemand uitsluit. In de tijd waarin deze leer opkwam – het einde van de negentiende eeuw – was dit geen vanzelfsprekendheid. West-Europa had te kampen met een grote kloof tussen arm en rijk. Deze kloof vormde de schaduwzijde van de industriële revolutie. Wat was er aan de hand? Door de grote ontwikkelingen op technisch gebied hadden machines de handnijverheid sterk teruggedrongen. Op zoek naar werk trokken veel werklozen en gelukszoekers naar de stad, met alle gevolgen van dien: overvolle steden, slechte woonomstandigheden en ziekten. De nijpende situatie stond al snel bekend als ‘de sociale kwestie’. Het antwoord van katholieke zijde op deze kwestie, is het startpunt van de katholiek sociale leer.

De daadkrachtige paus Leo XIII

In 1891 reageerde de kerk op de netelige sociale kwestie met een rondzendbrief (=encycliek), getiteld: Rerum novarum. Het was ongehoord en baanbrekend dat een paus, Leo XIII, zich zo uitdrukkelijk uitsprak over eigentijdse sociale problemen en deze in het licht plaatste van het katholiek geloof. Geïnspireerd op Rerum novarum is er de afgelopen 120 jaar een aantal kerkelijke documenten verschenen die eenzelfde sociale bewogenheid laten zien. Samen worden zij ook wel aangeduid als ‘de sociale leer van de kerk’.

Een leer met belangrijke kernwaarden

De katholiek sociale leer kent een aantal belangrijke kernwaarden. Kort en bondig zijn er vier te onderscheiden: bonum commune (het algemeen welzijn), subsidiariteit, solidariteit en de menselijke waardigheid. Wat deze inhouden wordt besproken bij de deelthema’s.

Als we de katholiek sociale leer goed bekijken dan zien we dat zij door de tijd heen reageert op wisselende sociale vraagstukken. De ‘inzet’ en focus van de katholiek sociale leer verschuift zo bezien door de tijd. Je kunt grofweg vier perioden onderscheiden.

Orde uit chaos

Rerum novarum is te zien als het symbolisch startpunt van de katholiek sociale leer. In deze encycliek spreekt paus Leo XIII (1878-1903) zich uit tegen de maatschappelijke misstanden van zijn tijd. Hij keert zich tegen de steeds grotere kloof tussen arm en rijk die de maatschappij dreigde te ontwrichten. In Rerum novarum benadrukt hij het belang van harmonie. Zo dienen werkgevers zorg te dragen voor goede arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden van hun werknemers. De arbeiders van hun kant, dienen te luisteren en zonder oproer hun rechten te verdedigen. Leo’s inzet en focus ligt dus op het voorkomen van maatschappelijke chaos en op het benadrukken van een evenwichtige samenhangende samenleving.

Paus Leo XIII benadrukt daarnaast in Rerum novarum de grote waarde van het kleine. Zo stelt hij bijvoorbeeld dat de mens ouder is dan de staat. Een te grote nadruk op gemeenschappelijk bezit (zoals in het socialisme) wijst hij af. Bezit is volgens Leo XIII een recht dat ieder mens afzonderlijk van nature geschonken is.

In navolging van Leo XIII, reikt Pius XI (1922-1939) veertig jaar later in de encycliek Quadragesimo anno (1931) een aantal belangrijke bouwstenen aan voor maatschappelijke ordening. Hij introduceert in deze tweede sociale encycliek de beginselen ‘vocationalisme’ en ‘subsidiariteit’. Vocationalisme omvat het idee dat werkgevers en arbeiders uit eenzelfde beroepsgroep zich dienen te verenigen en organiseren. Het vocationalisme grijpt hiermee terug op het middeleeuwse gildenstelsel waarin mensen zich organiseerden rondom een gezamenlijk vak (bakker, smid, slager, etc.). Met deze manier van organiseren werden interne spanningen in de samenleving (tussen verschillende klassen) vermeden. Het beginsel van subsidiariteit, zoals geïntroduceerd door Pius XI, is tot op de dag van vandaag het belangrijkste beginsel voor maatschappelijke ordening binnen de katholiek sociale leer. In essentie probeert subsidiariteit verantwoordelijkheid zo laag mogelijk in een samenleving te leggen. Een uitgebreidere uitleg van subsidiariteit is te vinden onder de deelthema’s.

Een verbreding van de leer

In de jaren zestig van de twintigste eeuw treedt een verschuiving op in de katholiek sociale leer. De inzet en focus van de leer verbreedt zich. Niet langer ligt het vergrootglas op West-Europa. Er ontstaat een groeiend besef dat werkelijke solidariteit internationale dimensies heeft. Deze belangrijke internationale verbreding van de katholiek sociale leer is voor het eerst te zien in de encycliek Mater et Magistra (1961) van Johannes XXIII (1958-1963) en in zijn latere encycliek Pacem in terris (1963). Het belang van internationale rechtvaardigheid is in navolging van Johannes XXIII ook sterk terug te zien in de encycliek Populorum progressio (1967) van Paulus VI (1963-1978).

De katholiek sociale leer verbreedt zich in deze periode verder door nieuwe vakgebieden bij de leer te betrekken. Zo betrekt Mater et Magistra duidelijk de sociologie in haar bespreking van eigentijdse vraagstukken. Met het conciliedocument Gaudium et Spes (1965) doet daarnaast heel duidelijk de historiciteit zijn intrede in de katholiek sociale leer. Wat Gaudium et Spes zo spraakmakend maakt is dat dit document de kerk niet boven of tegenover de wereld plaatst, maar er middenin. In verbondenheid met de wereld dient het christelijk geloof telkens weer tot spreken te worden gebracht. Dit klinkt misschien vanzelfsprekend maar het betekende een grote omslag. Immers, tot aan het Tweede Vaticaans Concilie (de grote kerkvergadering van de 20ste eeuw, 1962-1965) sprak de rooms-katholieke kerk de wereld vooral onderwijzend toe. De kerk trad op als lerares, die vanuit een gedachtegoed dat haar alleen was toevertrouwd, de ontsporende wereld in het gareel probeerde te houden.

Aandacht voor het kleine

Johannes Paulus II (1978-2005) heeft in zijn lange pontificaat (‘pausschap’) van maar liefst 26 jaar, uitdrukkelijk de aandacht gelegd op de menselijke persoon. Hij benadrukt heel sterk dat iedere persoon een onaantastbare waardigheid bezit die hem door God gegeven is. De mens is afspiegeling of ‘beeld van God’ indachtig het scheppingsverhaal uit het Bijbelboek Genesis. Deze focus is sterk terug te zien in alle drie de sociale encyclieken van Johannes Paulus: Laborem excercens (1981), Sollicitudo rei socialis (1987) en Centesimus annus (1991).

De onaantastbare waardigheid van ieder mens geeft hem belangrijke rechten die niet geschonden mogen worden. Anderzijds hebben wij ook de plicht om de rechten van anderen te respecteren. Goed samenleven is zo bezien een zoektocht naar een nauwkeurige balans tussen rechten en plichten, waarbij vooral ‘het kleine’ (de persoon) de ruimte dient krijgen om tot bloei te komen.

De aandacht voor de persoon is ook terug te zien in Johannes Paulus’ schrijven over arbeid en kapitaal. Hij benadrukt keer op keer dat beide niet van elkaar te scheiden zijn. Eenzijdige nadruk op arbeid (zoals in het communisme) of op kapitaal (zoals in het kapitalisme), probeert hij te vermijden. Johannes Paulus’ afkeer van het communisme is duidelijk terug te herleiden tot zijn persoonlijke geschiedenis. De van origine Poolse paus had persoonlijk ervaren hoe onderdrukkend het communisme zich opstelde in zijn eigen geboorteland.

Authentieke ontwikkeling, een alomvattende ontwikkeling

Benedictus XVI wijst in de meest recente sociale encycliek – Caritas in veritate (2009) – op de dreigende anonimiteit van de mens in de wereld van vandaag. De globalisering verandert volgens hem onze levens ingrijpend: gemeenschappen zijn aan verandering onderhevig en stellen ons voor nieuwe vragen rondom onderlinge betrokkenheid en medemenselijkheid.

De anonimiteit wordt gevoed door het gevoel onderhevig te zijn aan allerlei onbeheersbare krachten. Benedictus XVI wijst op een veelvoud aan ontwikkelingen die nauw samenhangen met de economische crisis van onze tijd: een te eenzijdige economische benadering van vraagstukken, een te grote nadruk op korte termijn doelstellingen, etc. Daartegenover plaatst hij het belang van authentieke- of integrale ontwikkeling. Deze ware ontwikkeling stelt de mens centraal. De mens is niet – zoals zo vaak helaas het geval is – middel tot iets (economische voorspoed), maar doel op zich. Daarnaast is deze ontwikkeling altijd betrokken op God. Het is God die garant staat voor onze ware ontwikkeling omdat wij naar Zijn beeld zijn geschapen.

Ga terug naar Katholieke Sociale Leer