Katholieken en hun geloofsgemeenschap

Apostelen

Roeping van de twaalf apostelen

In de evangeliën uit het Nieuwe Testament lezen wij over het optreden van Jezus. Jezus inspireert, begeestert en roept mensen tot zich. Al snel ontstaat er een groepje van leerlingen die Jezus volgt waar Hij gaat. Zij worden ook wel zijn apostelen of discipelen genoemd.

Het woord ‘apostel’ (ἀπόστολος – apostolos) betekent ‘boodschapper’. Maar wat is dan de boodschap? Je zou kunnen zeggen dat zij de boodschap van Jezus, ‘de verkondiging van het Rijk Gods’ na Jezus’ dood en verrijzenis verder gestalte proberen te geven en uitdragen.

Heel bijzonder is dat Jezus zelf zijn apostelen uitkiest en roept: ‘Komt, volg Mij’ (Mat. 4,19-22).

Jezus vraagt de apostelen om hem te volgen, maar ook ‘zendt’ Jezus zijn apostelen uit over de wereld als boodschapper. In de evangelieverhalen wordt al snel duidelijk dat de apostelen niet voor de aardigheid geroepen worden, roeping betekent vooral verantwoordelijkheid krijgen.

Maar toch beantwoorden de apostelen radicaal het appel van Jezus ‘Komt, volgt Mij’.

Alles laten ze achter en ze gaan met hem mee.

In de evangeliën lezen we ook over de vele twijfels, mislukkingen en de innerlijke en onderlinge worstelingen van de apostelen. Dit lijkt misschien opmerkelijk, omdat we in het boek Handelingen lezen dat de apostelen getuige zijn geweest van de wederopstanding en hemelvaart van Jezus (Hand. 17,6), maar ondanks dat ze zelf getuige waren, blijven de apostelen met veel vragen achter. Misschien verschillen de apostelen eigenlijk niet zoveel van ons.

Wie zijn de twaalf apostelen?

De oorspronkelijke twaalf discipelen/ apostelen worden in Matteüs 10,2-4 genoemd:

  1. Petrus (Simon Petrus)
  2. Andreas (broer van Simon Petrus)
  3. Bartholomeus
  4. Fillipus
  5. Jakobus (de Mindere, zoon van Alfeüs)
  6. Jakobus (de Meerdere, zoon van Zebedeüs, broer van Johannes)
  7. Johannes (zoon van Zebedeüs, broer van Jakobus de Meerdere)
  8. Judas Taddeüs (ook wel Judas Lebbeüs genoemd, broer van Jakobus de Mindere)
  9. Mattheüs
  10. Simon Zeloot (de Zeloot of de IJveraar)
  11. Thomas
  12. Judas Iskariot.

Nadat Judas Jezus had verraden heeft hij zelfmoord gepleegd. Door de overgebleven elf apostelen wordt Mattias aangesteld als opvolger van Judas (Hand. 1,20-26), met wie de twaalf weer compleet zijn. Niet alle bijbelgeleerden zijn het hier mee eens en zien Mattias als een ‘ongeldig’ lid van de twaalf en menen dat in zijn plaats Paulus Gods keuze was om Judas Iskariot als de twaalfde apostel te vervangen.

Simon Petrus

Jezus vormde de twaalf (apostelen) tot een groep en Petrus, één uit hun midden, stelde Jezus aan als leider van de groep. Omdat het geloof van Simon is als een rots, wordt Simon door Jezus aangesproken als Kefas, ‘rots’ (Joh. 1,42). Het Griekse woord voor rots is ‘petra’. Simon Petrus is de rots waarop de gemeenschap is gegrondvest. De zogeheten Petrusbelofte: ‘(–) Gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen (–)’ (Mat. 16,18-19). Na de verrijzenis krijgt hij de taak de lammeren en schapen te weiden (Joh. 21,15-19). Bij de geboorte van de kerk met Pinksteren (Hand. 2) neemt hij het woord.

Paulus en zijn brieven

Paulus, de apostel van de heidenen, heeft een zeer belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de jonge kerk. Hij was aanvankelijk een fanatiek christenvervolger, maar kreeg op weg naar Damascus een visioen waarna hij zich spontaan bekeerde (Hand. 9 en 22).

Paulus was de drijvende kracht achter de geloofsverspreiding. Hij maakte een drietal lange zendingsreizen, waardoor hij verbleef in onder meer Cyprus, Lystre, Korinthe, Filippi, Athene, Thessalonica en Efeze.

Verschillende apostelen hebben brieven geschreven aan de geloofsgemeenschappen. In de Bijbel zijn brieven opgenomen van de apostelen Jakobus, Petrus, Johannes, Judas en Paulus. Paulus heeft ons de meeste brieven nagelaten. Hij heeft 14 brieven geschreven aan de gemeenschappen die hij stichtte, om ze te troosten, te bemoedigen, te onderrichten of terecht te wijzen. Paulus verkent als eerste de verschillende aspecten van het geloof en van het christelijk leven. Paulus heeft zelf erg geworsteld met de vraag hoe joodse en heidense volgelingen van Jezus, jodenchristenen en heidenchristenen, samen één gemeenschap zouden kunnen vormen.

In zijn brief aan de Romeinen verwerpt Paulus de gedachte van de joden, dat je gerechtvaardigd wordt door strikte navolging van de wet (Tora): de ‘werken der wet’. Paulus is van mening dat alleen het geloof in Christus de mens kan rechtvaardigen: ‘Ik beweer juist, dat de mens gerechtvaardigd wordt door te geloven, niet door de wet te onderhouden’ (Rom. 3,28).

Het standpunt van Paulus over de rechtvaardiging door het geloof was een belangrijk punt op het apostelconcilie (Concilie van Jeruzalem, omstreeks 49 n.Chr.) en waarmee hij zich aanvankelijk tegenover Petrus plaatste. De besluiten van dit apostelconcilie zijn van grote invloed geweest voor de ontwikkeling van de christelijke kerk. Tevens ontstond hier een definitieve breuk met het traditionele jodendom.

Apostolische successie

Jezus heeft aan zijn apostelen de goddelijke zending toevertrouwd, welke zal duren tot het einde der tijden (Mat. 28,20). De apostelen hebben vervolgens hun eigen opvolgers, door handoplegging, aangesteld. En zo staan de bisschoppen, door de bisschopswijding met handoplegging door andere bisschoppen, in lijn met de apostelen. Dit wordt ook wel ‘apostolische successie’ (continuïteit) genoemd. De bisschoppen zijn dus de opvolgers van de apostelen. De kerk noemt zich apostolisch omdat zij bijzondere banden heeft met de oorspronkelijke twaalf apostelen die Jezus uitkoos om zijn kerk te beginnen. De oudste geloofsbelijdenis van de kerk, toegeschreven aan de twaalf apostelen, heet ook de apostolische geloofsbelijdenis.

Het woord bisschop is afkomstig van het Griekse woord episkopos, dat vertaald kan worden als ‘toezichthouder’. De bisschoppen hebben, samen met hun helpers, de priesters (presbyter) en diakens, de verantwoordelijkheid over de gemeenschap. De bisschoppen leiden de kudde, of beter, zij proberen door het uitdragen van de boodschap van Jezus en door het inspireren van de gelovigen de mensen (vrienden van Christus) bij elkaar te brengen.

Hierbij dient nog wel opgemerkt te worden dat de rol van bisschoppen in de oerkerk (venster 41) niet dezelfde was als die wij nu kennen. Na Jezus dood en verrijzenis komen de apostelen, samen met vrienden van Jezus, bijeen in huizen. En vormen zo een ‘gemeente aan huis’. De apostelen waren verantwoordelijk voor het netwerk van huisgemeenten in Jeruzalem. Deze gemeentestructuur wordt in de eerste jaren verder uitgebouwd en verspreidt zich over de gemeente van Jeruzalem (Hand. 11,22), en gemeenten door geheel Judea, Galilea en Samaria (Hand. 9,31). De huidige wereldkerk kent een ‘gemeentestructuur’ van circa 1900 bisdommen (vgl. www.catholic-hierarchy.org).

Petrusbelofte

In de vroege kerk werd aan de bisschop van Rome, op bijvoorbeeld concilies, nog geen buitengewoon groot gezag toegekend. Wel werd de bisschop van Rome, onder de bisschoppen, gezien als de ‘eerste onder zijn gelijken’. Pas in de tijd na keizer Constantijn vanaf de vierde eeuw stelt de kerk van Rome zich steeds meer op als gezaghebbend hoofd van de gehele kerk. Gezaghebbend in zowel morele als juridische zin, zoals bij benoemingen van bisschoppen. Aan het begin van deze verdere ontwikkeling staan paus Damasus (366-384) die spreekt over de ‘apostolische stoel’ en paus Leo I (440-461) die de Petrusverzen in het Nieuwe Testament opvat als een aan Petrus geschonken ‘volheid van macht’. Tijdens het Eerste Vaticaans Concilie (1869-1871) werd het dogma afgekondigd van de onfeilbaarheid van de paus inzake geloof en zeden.

De paus is de opvolger van Petrus, waarmee hij aan het hoofd staat van de Rooms Katholieke Kerk over heel de wereld.

Ga terug naar Apostelen